Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201003280/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2008 heeft de burgemeester de vergunning voor de exploitatie van [appellante] ingetrokken en geweigerd een exploitatievergunning voor het horecabedrijf gedurende zes maanden te verlenen.

Bij besluit van 16 april 2008 heeft de burgemeester het horecabedrijf met onmiddellijke ingang voor de duur van zes maanden gesloten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:4
Algemene wet bestuursrecht 7:5
Opiumwet
Opiumwet 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003280/1/H3.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Utrecht, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 februari 2010 in zaken nrs. 08/2671 en 08/2679 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2008 heeft de burgemeester de vergunning voor de exploitatie van [appellante] ingetrokken en geweigerd een exploitatievergunning voor het horecabedrijf gedurende zes maanden te verlenen.

Bij besluit van 16 april 2008 heeft de burgemeester het horecabedrijf met onmiddellijke ingang voor de duur van zes maanden gesloten.

Bij besluiten van 25 juli 2008 heeft de burgemeester de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2010, verzonden op 22 februari 2010, heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 mei 2010.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vennoot A], bijgestaan door mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Ramdoelare, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Ingevolge artikel 10, derde lid, van de Horecaverordening Utrecht 2004 (hierna: de verordening) kan voor horecabedrijven waarvan de exploitatievergunning op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, is ingetrokken, worden bepaald dat een exploitatievergunning voor dat horecabedrijf gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar wordt geweigerd.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien zich in het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

In deel III van het Beleid handhaving en vergunningen horeca is het handhavingsbeleid neergelegd. Volgens paragraaf 14 van het handhavingsbeleid is in ieder geval sprake van een ernstig vermoeden van handel in hard- en softdrugs, indien meer dan één gebruikershoeveelheid van één of meer middelen wordt aangetroffen.

2.2. De burgemeester heeft zich in de besluiten op bezwaar op het standpunt gesteld dat een ernstig vermoeden van handel in softdrugs in het horecabedrijf, als bedoeld in het handhavingsbeleid, bestaat. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de politie het horecabedrijf op 20 maart 2008 heeft geobserveerd, naar aanleiding van enkele anonieme meldingen over het vermoeden van softdrugshandel in het bedrijf en informatie hierover van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid. Uit die observatie kan worden afgeleid dat het horecabedrijf regelmatig voor korte tijd wordt bezocht, hetgeen tezamen met voormelde meldingen een redelijk vermoeden van handel in softdrugs oplevert, aldus de burgemeester. Voorts heeft hij aan de besluiten ten grondslag gelegd dat bij een doorzoeking van het horecabedrijf op 8 april 2008 vijf personen, waaronder een in de exploitatievergunning als leidinggevende van het bedrijf aangeduide persoon, zijn aangehouden wegens het in bezit hebben van drugs en dat twee van deze personen in het bezit waren van onderscheidenlijk circa vijfhonderd gram hasj en meer dan een halve gram cocaïne, hetwelk handelshoeveelheden zijn. Uit de verklaringen van de aangehouden personen blijkt dat in het horecabedrijf drugs worden gebruikt en dat sommige leidinggevenden daarvan op de hoogte zijn, aldus de burgemeester. Ten slotte is aan de besluiten ten grondslag gelegd dat in de bovenwoning van het horecabedrijf, die door een leidinggevende van het bedrijf wordt bewoond, ongeveer zeventien kilogram hasj en circa € 40.000,00 in contant geld zijn aangetroffen.

2.3. [appellante] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de besluiten op bezwaar niet in strijd met de artikelen 7:5 en 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) tot stand zijn gekomen. Zij betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat bij het horen ten minste de schijn van partijdigheid is gewekt en in strijd met de strekking van artikel 7:5 van de Awb is gehandeld, omdat degene die op de hoorzitting als voorzitter is opgetreden een week voor die hoorzitting namens de burgemeester de primaire besluiten heeft verdedigd ter zitting bij de voorzieningenrechter waar een door [appellante] hangende de behandeling van de bezwaren ingediend verzoek om een voorlopige voorziening aan de orde kwam.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat bij het horen artikel 7:5 van de Awb niet in acht is genomen, aangezien de ambtenaar die op de hoorzitting als voorzitter is opgetreden niet bij de voorbereiding van de primaire besluiten van 14 en 16 april 2008 betrokken is geweest. Dat deze ambtenaar het woord heeft gevoerd tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 mei 2008 om het standpunt van de burgemeester toe te lichten, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de burgemeester het in artikel 2:4 van de Awb neergelegde gebod van onpartijdigheid niet heeft nageleefd dan wel dat de schijn van partijdigheid is gewekt. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, zijn de besluiten op bezwaar niet in mandaat door deze ambtenaar genomen, maar door een ambtenaar die bij het horen niet betrokken is geweest. Verder is gesteld noch gebleken dat de voorzitter van de hoorcommissie een persoonlijk belang bij de besluitvorming in bezwaar had. Het betoog slaagt niet.

2.4. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het enkele feit dat een hoeveelheid verdovende middelen in het horecabedrijf is aangetroffen voor de burgemeester voldoende reden was om gebruik te mogen maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet handhavend op te treden en dat hiertoe niet is vereist dat daadwerkelijk drugs zijn verhandeld. De rechtbank heeft niet onderkend dat deze bepaling slechts in die bevoegdheid voorziet, indien de drugs in het horecabedrijf aanwezig zijn om in of vanuit het bedrijf te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, aldus [appellante]. Zij stelt dat niet vaststaat dat de drugs die bij de personen in het horecabedrijf zijn aangetroffen, gebruikt werden of bestemd waren voor drugshandel in of vanuit het bedrijf, zodat de burgemeester geen bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang had.

Zij voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de exploitatievergunning op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de verordening mocht intrekken. Zij betoogt dat de rechtbank dat oordeel ten onrechte heeft gebaseerd op de anonieme meldingen van het vermoeden van drugshandel in het horecabedrijf en de observaties van de politie op 20 maart 2008, omdat die meldingen niet op hun betrouwbaarheid kunnen worden getoetst en de observaties slechts enkele uren zijn verricht. Voorts stelt zij dat de vaststelling van de korte bezoeken van klanten aan het bedrijf verklaard kan worden door het feit dat in het bedrijf een sigarettenautomaat aanwezig is. Ook anderszins hebben zich geen feiten voorgedaan die een vermoeden van drugshandel in of vanuit het bedrijf rechtvaardigen, aldus [appellante]. Gelet hierop was de burgemeester volgens haar niet bevoegd op grond van artikel 10, derde lid, van de verordening te bepalen dat gedurende zes maanden een exploitatievergunning voor het horecabedrijf zou worden geweigerd.

2.4.1. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder andere blijkend uit haar uitspraak van 21 december 2005 in zaak nr. 200505732/1), is voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen niet vereist dat daadwerkelijk drugs zijn verhandeld, maar volgt uit het woord "daartoe" in deze bepaling dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs in een inrichting, waarin de verkoop van softdrugs niet is gedoogd, de bevoegdheid verschaft tot het sluiten van de inrichting.

Onbestreden is dat twee van de personen die op 8 april 2008 in het horecabedrijf vanwege het bezit van drugs zijn aangehouden een handelshoeveelheid bij zich hadden. Door de enkele aanwezigheid van deze hoeveelheid drugs was de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet reeds bevoegd handhavend op te treden. Hieraan doet niet af dat, zoals [appellante] stelt, in het horecabedrijf geen materiaal is aangetroffen waarmee de handelshoeveelheden drugs in gebruikershoeveelheden konden worden verdeeld. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.4.2. Zoals de burgemeester terecht heeft gesteld, is het feit dat bij twee personen in het horecabedrijf een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen voldoende om een ernstig vermoeden van drugshandel, als bedoeld in het handhavingsbeleid, in het horecabedrijf aan te nemen. Voorts staat onbestreden vast dat één van de personen die in het horecabedrijf wegens drugsbezit zijn aangehouden, als leidinggevende in het bedrijf werkzaam was en dat uit de verklaringen die de aangehouden personen tegenover de politie hebben afgelegd volgt dat in het horecabedrijf drugs werden gebruikt met medeweten van sommige leidinggevenden. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dienen de exploitanten afdoende maatregelen te treffen om feiten als hier aan de orde te voorkomen. De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de exploitanten voor deze feiten verantwoordelijk zijn. De Afdeling is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester terecht heeft besloten tot intrekking van de exploitatievergunning en dat hij in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat gedurende zes maanden een exploitatievergunning voor het horecabedrijf zou worden geweigerd. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

280-598.