Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201002847/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het college de locatie nummer 1108 aan het Van Doesburgveld schuin tegenover huisnummer […], vastgesteld voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor huishoudelijk restafval (hierna: ondergrondse afvalcontainer).

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2010/42 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002847/1/M1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Barendrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het college de locatie nummer 1108 aan het Van Doesburgveld schuin tegenover huisnummer […], vastgesteld voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor huishoudelijk restafval (hierna: ondergrondse afvalcontainer).

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E. Verheijen en mr. E. Lems, beiden advocaat te Barendrecht, en A. Goedhart, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2008 van de gemeente Barendrecht kan het college aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel of voorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

2.2. Bij het bepalen van de locaties van inzamelvoorzieningen als de onderhavige betrekt het college onder meer de volgende in de notitie "Criteria locatieonderzoek ondergrondse afvalcontainers" opgenomen uitgangspunten:

- Van elke container dienen gemiddeld 35 aansluitingen gebruik te maken.

- De loopafstand voor de bewoners moet zo klein mogelijk zijn. De loopafstand is maximaal 75 meter. Het college heeft de bevoegdheid deze afstand uit te breiden tot maximaal 125 meter.

- De hoofdgroenstructuur moet onaangetast blijven.

- Het verleggen van kabels en leidingen moet tot een absoluut minimum beperkt worden.

- De locatie moet te bereiken zijn zonder een (drukke) straat over te steken.

- Locaties worden bij voorkeur op (een deel van) de huidige afvalaanbiedplaatsen gerealiseerd.

- De inzamelwagen dient genoeg ruimte te hebben om de container te bereiken en te ledigen.

- Er moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met aanwezigheid van bomen, zowel wat betreft het aanwezige wortelpakket als met de kruin in verband met lediging.

2.3. Na bij besluit van 26 mei 2009 voor de ondergrondse container nummer 1108 het trottoir ter hoogte van het Van Doesburgveld […] als locatie te hebben aangewezen, heeft het college hangende beroep tegen laatst bedoelde aanwijzing bij besluit van 16 februari 2010 het van Doesburgveld schuin tegenover huisnummer […] vastgesteld als locatie voor de ondergrondse container nummer 1108.

2.4. [appellante] vindt het onjuist dat zij niet de kans heeft gekregen om de zaak eerst via het indienen van een bezwaarschrift voor te leggen aan de bezwaarschriftencommissie. Dit omdat zij in de beroepsprocedure hangende welke het bestreden besluit is genomen geen partij is geweest.

2.4.1. Uit artikel 7:1 eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat tegen een op bezwaar genomen beslissing niet opnieuw bezwaar gemaakt kan worden. Het besluit van 16 februari 2010 behelst een wijziging van het besluit op bezwaar van 26 mei 2009. De wijziging van het eerdere besluit betreft een verplaatsing van de aanvankelijke locatie van de ondergrondse containers met enkele tientallen meters in dezelfde straat. Ook een belanghebbende, zoals [appellante], die aanvankelijk niet zelf bezwaar maakte, dient tegen een beslissing op bezwaar of de wijziging daarvan waarmee hij het niet eens is, rechtstreeks beroep in te stellen. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellante] kan zich niet verenigen met de aanwijzing van de locatie nummer 1108.

2.6. [appellante] betoogt dat verschillende, meer geschikte, alternatieve locaties aanwezig zijn. Ter zitting heeft [appellante] erkend dat de door haar vermelde locatie aan de kruising Van Doesburgveld - De Klerkveld minder geschikt is. In dit verband meldt [appellante] nog dat de ondergrondse afvalcontainers in haar woonwijk onvoldoende gespreid zijn. Zij wijst erop dat de woonwijk door het door het Van Doesburgveld lopende fietspad in tweeën wordt gedeeld en dat de zich aan haar zijde bevindende 110 woningen met vijf ondergrondse afvalcontainers, inclusief locatie nummer 1108, geconfronteerd worden terwijl het deel van de wijk aan de andere zijde van het fietspad met 190 woningen slechts drie ondergrondse afvalcontainers heeft, zodat zij in vergelijking tot bewoners van de andere woningen in haar wijk zwaarder wordt getroffen door de nabijheid van ondergrondse afvalcontainers.

2.6.1. De door [appellante] voorgestelde locatie aan het einde van het Van Doesburgveld bij de kruising met de Berlagedreef, is volgens het college ongeschikt omdat de ruimte op het trottoir op de hoekpunten te gering is om daar een ondergrondse container te plaatsen en omdat de doorgang belemmerd wordt. Bovendien staat op beide hoekpunten een boom.

De door [appellante] voorgestelde locatie aan het Van Doesburgveld tegenover huisnummer […] is volgens het college ongeschikt omdat huisnummer […] dichter naar de Berlagedreef geplaatst staat en de bewoners daarvan direct zicht op de container hebben, welke situatie zich voor huisnummer […] bij de huidige locatie 1108 niet voordoet.

2.6.2. De kanttekening die [appellante] heeft gemaakt bij de spreiding van de afvalcontainers is op zich beschouwd ontoereikend voor het oordeel dat het college een andere locatie had moeten kiezen. In aanmerking genomen dat [appellante] de argumenten van het college niet gemotiveerd heeft betwist, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellante] voorgestelde alternatieve locaties minder geschikt zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellante] betoogt dat de aanwijzing van de locatie nummer 1108 tot verkeersgevaarlijke situaties zal leiden voor kinderen als zij rennend of fietsend uit het zijpad komen. Het zicht op dit zijpad is vanuit het Van Doesburgveld slecht omdat de schuren van de woningen aan de Berlagedreef ver doorlopen, door plaatsing van de afvalcontainer zal dit zicht nog verder verminderen, aldus [appellante].

2.7.1. Het college stelt dat het zicht niet onaanvaardbaar wordt belemmerd en de verkeersveiligheid niet afneemt.

2.7.2. Gelet op de grootte van het bovengrondse deel van de afvalcontainer van 0,72 bij 0,70 bij 1,03 meter, dat niet ver boven de ter plaatse aanwezige heg met een hoogte van 0,60 meter uitsteekt, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afvalcontainer het zicht van weggebruikers niet zal belemmeren. De door [appellante] gestelde vermindering van de verkeersveiligheid zal zich niet voordoen. De Afdeling tekent hierbij nog aan dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tijdens het legen en terugplaatsen van de container door het inzamelvoertuig de desbetreffende eenrichtingsstrook van het Van Doesburgveld door het inzamelvoertuig wordt geblokkeerd, zodat op dat moment op dat gedeelte van het Van Doesburgveld rijdende auto's moeten wachten en dan ook geen gevaar kunnen vormen voor overstekende kinderen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de thans gekozen locatie uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet ongeschikt is. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. [appellante] betoogt dat de aanwijzing van de locatie nummer 1108 tot aantasting van het openbaar groen leidt.

Gelet op de situering van de ondergrondse afvalcontainer heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het openbaar groen beperkt en aanvaardbaar is. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. [appellante] wijst op het ontstaan van zwerfvuil, mede als gevolg van het dumpen van huisvuil bij de locatie nummer 1108 vanuit passerende auto's, hetgeen nu ook al gebeurd op de Berlagedreef.

Deze beroepsgrond betreft handhaving en raakt niet de rechtmatigheid van het besluit tot plaatsing. Deze beroepsgrond faalt. Overigens heeft het college gesteld dat tegen niet toegestaan verspreiden van afval zal worden opgetreden.

2.10. [appellante] stelt dat de waarde van haar woning daalt als gevolg van de plaatsing van de ondergrondse afvalcontainer.

Nu [appellante] de waardedaling van haar woning niet aannemelijk heeft gemaakt, faalt deze beroepsgrond reeds hierom.

2.11. De Afdeling ziet op grond van hetgeen hiervoor is overwogen geen grond voor het oordeel dat het college bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot aanwijzing van de locatie nummer 1108 aan het Van Doesburgveld schuin tegenover huisnummer […], in de groenstrook, in de woonwijk Bijdorp, als locatie voor een ondergrondse afvalcontainer voor de inzameling van huishoudelijk restafval.

2.12. Het beroep is ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

159-209.