Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
200910226/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkeerplaatsen Brandenburg" vastgesteld (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910226/1/R2.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente De Bilt,

en

de raad van de gemeente De Bilt,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkeerplaatsen Brandenburg" vastgesteld (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2010, waar [appellant] is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied - (V-VB)" met de aanduiding 'parkeergarage (pg)' op gronden grenzend aan de achterzijde van de woningen aan de Oude Brandenburgerweg, teneinde daar in totaal 28 garageboxen op te richten ten behoeve van de bewoners.

2.2. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan. Hij stelt dat bij de vaststelling van het plan onduidelijk was dat op de voorziene parkeerplaatsen ook garageboxen zouden worden toegestaan. Met het plan wordt volgens hem slechts het belang van enkele bewoners gediend. Omdat niet alle bewoners een garagebox zullen oprichten zal het straatbeeld volgens [appellant] een rommelige uitstraling krijgen.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het merendeel van de bewoners aan de Oude Brandenburgerweg wel de mogelijkheid wenst voor het oprichten van een garagebox.

2.2.2. Uit de stukken betreffende de voorbereiding van het plan blijkt naar het oordeel van de Afdeling afdoende dat op bedoelde gronden niet enkel parkeerplaatsen, maar ook garageboxen worden toegestaan. Gelet daarop had [appellant] reeds voor de vaststelling van het plan bekend kunnen zijn met het voornemen van de gemeente om te voorzien in de mogelijkheid om op de parkeerplaatsen garageboxen op te richten. Gelet hierop faalt dit betoog.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat gelet op artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening een bestemmingsplan slechts voorziet in de mogelijkheid om bepaalde bestemmingen te realiseren. Voor de bewoners die geen garageboxen wensen te realiseren bestaat daartoe aldus geen verplichting. De planregels leggen immers geen bouwplicht op. Dit brengt met zich dat ter plaatse mogelijk niet alle voorziene garageboxen zullen worden gerealiseerd waardoor garageboxen kunnen worden afgewisseld met onbebouwde parkeerplaatsen. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit niet zal leiden tot een zodanige aantasting van het straatbeeld dat het plan om die reden niet had mogen worden vastgesteld. Het betoog faalt.

2.3. [appellant] vreest dat bewoners de auto gemakshalve aan de voorzijde van de woningen aan de Oude Brandenburgerweg zullen parkeren waardoor een tekort aan openbare parkeerplaatsen zal optreden. Ook is het gebruik van de garageboxen voor andere doeleinden dan het parkeren van de auto niet uitgesloten.

2.3.1. De raad verwacht geen parkeerproblemen in de omgeving omdat ten behoeve van het zwembad in een eigen parkeerterrein wordt voorzien.

2.3.2. In het plan is opgenomen dat het aangrenzende gebied van de voormalige sportvelden Brandenburg wordt herontwikkeld. Aan de achterzijde van de woningen aan de Oude Brandenburgerweg grenzen thans woningen met een eigen parkeerplaats. Aan de westzijde grenzen de woningen aan het fitnesscentrum en het zwembad. Ten behoeve van het zwembad en het fitnesscentrum wordt voorzien in een parkeerterrein dat vanaf een andere zijde, te weten de noordwestzijde ten opzichte van het plangebied, is te bereiken. De stelling van de raad dat gelet hierop in het plangebied sprake is van minder vraag naar parkeerplaatsen komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van het plan zodanige parkeerproblemen zullen optreden dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

In het enkele feit dat de garageboxen zouden kunnen worden gebruikt ten behoeve van opslag van goederen, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling evenmin aanleiding hoeven zien het plan niet vast te stellen. De planregels staan niet in de weg aan dit gebruik en dergelijk gebruik is niet als ongebruikelijk te beschouwen. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat dit gebruik zal leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] stelt verder dat de brandgangen die tussen de woningen doorlopen niet aansluiten op de doorgangen tussen de voorziene garageboxen, hetgeen bij calamiteiten tot grote problemen kan leiden.

2.4.1. In de plantoelichting is ten aanzien van de parkeerplaatsen opgenomen dat de brandgangen die tussen de woningen aan de Oude Brandenburgerweg doorlopen worden doorgetrokken langs de garageboxen.

2.4.2. [appellant] betwist niet dat er tussen de garageboxen brandgangen worden aangelegd maar heeft als bezwaar dat deze brandgangen niet direct aansluiten op de brandgangen die reeds tussen de woningen doorlopen. Gelet op hetgeen in artikel 3.1 van de planregels is opgenomen in samenhang met de verbeelding biedt het plan de mogelijkheid en de ruimte om ter plaatse te voorzien in brandgangen. Voorts biedt het plan de mogelijkheid om de door [appellant] gewenste inrichting te realiseren. De Afdeling is derhalve van mening dat het plan in zoverre niet aan een verantwoorde inrichting van het plangebied, waaronder een acceptabele calamiteitenroute, in de weg staat. Het betoog faalt derhalve.

2.5. [appellant] is verder van mening dat de voorziene garageboxen tot onveilige verkeerssituaties zullen leiden vanwege de smalle doorgangen tussen de garageboxen en de beperkte zichthoek voor bestuurders. Door de bebouwing ontstaat volgens hem voorts een sociaal onveilige omgeving nu daardoor een donkere straat ontstaat terwijl het zicht op de parkeerplaats vanuit de woningen ook wordt beperkt.

2.5.1. De raad acht de verkeerssituatie alsmede de sociale veiligheid ter plaatse niet in het geding. Het zicht op de parkeerplaatsen vanuit de woningen aan de Oude Brandenburgerweg is reeds beperkt vanwege een tussengelegen groenstrook, aldus de raad.

2.5.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat aan de achterzijde van de woningen aan de Oude Brandenburgerweg een weg loopt die eenzijdig wordt ontsloten en uitsluitend ten behoeve van bestemmingsverkeer wordt gebruikt. Er is derhalve sprake van een beperkte verkeersstroom. Voorts betreft het een woonwijk waar men reeds achtzaam dient te zijn op de aanwezigheid van fietsers, voetgangers en spelende kinderen. Gezien vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verkeerssituatie zodanig verslechtert dat de raad het plan in redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. In zoverre faalt het betoog.

2.5.3. Het straatbeeld zal ter plaatse door de bouw van garageboxen een ander aanzien krijgen mede gezien de aanwezige carports ten behoeve van de woningen aan de overzijde. De Afdeling is evenwel van oordeel dat niet is gebleken dat hierdoor een zodanig sociaal onveilige situatie zal ontstaan dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Overigens heeft [appellant] ter zitting naar voren gebracht dat hij vanuit zijn woning thans ook geen zicht heeft op de parkeerplaatsen. Het betoog faalt.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

458-608.