Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
200906465/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Haarwijk-Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906465/1/R1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Gorinchem,

2. de vereniging Bewonersbelangenvereniging "Haarwijk-Zuid", gevestigd te Gorinchem,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gorinchem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Haarwijk-Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2009, en de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2009, beroep ingesteld. De vereniging heeft haar beroep aangevuld bij brief van 29 september 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], de vereniging en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De vereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2010, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter], [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.B. Mus, advocaat te Breda, R.H. Osenga en M. van Zanten, beiden werkzaam bij de gemeente, en ir. J.A.M. van Dijk, werkzaam bij DHV, zijn verschenen. Ook is daar als partij gehoord de stichting Stichting Lingeburcht, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het zuidelijke deel van Haarwijk, gelegen in Gorinchem-West, en is grotendeels conserverend van aard. Het plan voorziet voorts in 70 appartementen in een nieuw appartementencomplex 'De Slinger' op de locatie Sparta-Athene (hierna: het appartementencomplex) op gronden waar voorheen een school stond en thans nog 36 seniorenwoningen staan. Het plan voorziet verder in de bouw van vier vrijstaande woningen (hierna: de vier woningen) op het perceel Plantsoen 20.

2.1.1. In deze beroepsprocedure heeft onduidelijkheid voor de Afdeling bestaan omtrent de inhoud van de vastgestelde verbeelding doordat de raad per abuis een werkkaart aan de Afdeling heeft toegezonden. Deze onduidelijkheid is uiteindelijk ter zitting weggenomen, zodat de Afdeling de beroepen aan de hand van de juiste verbeelding heeft kunnen beoordelen.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte niet is aangepast aan de gedeeltelijke gegrondverklaring van zijn zienswijze door de raad. Daartoe voert hij aan dat de grens tussen de bestemmingen "Tuin (T)" en "Wonen (W)" op het perceel [locatie A] ten onrechte niet ligt ter hoogte van de zuidgrens van het bouwvlak. Hij stelt zich op het standpunt dat de planregeling in zoverre afwijkt van vergelijkbare situaties in de omgeving. Het perceelsgedeelte met de bestemming "Wonen (W)" ten zuiden van het bouwvlak dient de bestemming "Tuin (T)" te krijgen om het uizicht vanuit zijn woning op het perceel [locatie B] over deze gronden te beschermen, aldus [appellant sub 1].

2.2.1. Het plan voorziet voor het perceel [locatie A], voor zover van belang, in de bestemmingen "Wonen (W)" en "Tuin (T)" en de aanduiding "bouwgrens".

2.2.2. [appellant sub 1] heeft in zijn zienswijze, voor zover van belang, aangevoerd dat de grens tussen de bestemmingen "Tuin (T)" en "Wonen (W)" op het perceel [locatie A] ten onrechte niet ligt ter hoogte van de zuidgrens van het bouwvlak.

In de nota van zienswijzen stelt de raad dat de grens tussen de bestemmingen "Tuin (T)" en "Wonen (W)" ter plaatse verkeerd is gesitueerd en zodanig zal worden verplaatst dat de grens overeenkomt met de naar de weg gekeerde zijde van de bebouwing. Naar aanleiding hiervan is het plandeel ten oosten van het bouwvlak op de verbeelding gewijzigd.

In het verweerschrift erkent de raad dat de zienswijze van [appellant sub 1] niet op de oostelijke zijde maar op de zuidelijke zijde van het perceel [locatie A] ziet. Dit betekent dat de raad de zienswijze niet juist heeft beoordeeld.

2.2.3. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

Het beroep van de vereniging

2.3. Ter zitting heeft de vereniging haar beroepsgronden inzake de luchtkwaliteit en de door haar gestelde cumulatie van ontheffingsbevoegdheden voor uitbreiding van de bouwhoogte en het bebouwingsoppervlak van het appartementencomplex ingetrokken.

2.4. Eerst bij haar pleitnota heeft de vereniging aangevoerd dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen besluit heeft genomen over het vaststellen van een exploitatieplan en dat de raad dit ruim na de vaststelling van het bestemmingsplan niet heeft kunnen repareren door alsnog te besluiten geen exploitatieplan vast te stellen. Voorts is volgens de vereniging geen kennisgeving gedaan van de exploitatieovereenkomsten met de ontwikkelaars en heeft geen zakelijke beschrijving daarvan ter inzage gelegen.

De vereniging heeft deze beroepsgronden niet eerder naar voren gebracht. Nu de vereniging deze eerst ter zitting heeft aangevoerd, dienen deze met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vereniging geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan van haar redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij deze eerder naar voren had gebracht. Deze beroepsgronden kunnen derhalve niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

Procedurele en formele aspecten

2.5. De vereniging betoogt in de eerste plaats dat bij de beschikbaarstelling langs elektronische weg van het ontwerpplan niet alle stukken kosteloos langs elektronische weg beschikbaar zijn gesteld nu zij hiervoor een WinRAR-licentie diende aan te schaffen en niet alle onderzoeksrapporten behorende bij het bodemonderzoek beschikbaar zijn gesteld. Verder is het op deze wijze beschikbaar gestelde onderzoek naar het geluid van recentere datum dan het onderzoek waarnaar in de plantoelichting wordt verwezen en die analoog ter inzage is gelegd, aldus de vereniging.

2.5.1. De raad stelt dat het plan niet langs elektronische weg beschikbaar behoefde te worden gesteld. Subsidiair stelt de raad dat de langs elektronische weg beschikbaar gestelde bestanden konden worden ingezien zonder bijzondere software.

2.5.2. In artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, met dien verstande dat het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld.

In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage legt.

2.5.3. Anders dan de raad heeft betoogd, is artikel 3.8 van de Wro met ingang van 1 juli 2008 in werking getreden, zodat in dit geval moest worden voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200901438/1/R3), wijkt de zinsnede "met de hierbij behorende stukken" in artikel 3.8, eerste lid, onder a, van de Wro af van de zinsnede "met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp" die is opgenomen in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Laatstgenoemde zinsnede heeft in ieder geval mede betrekking op de onderliggende stukken, waaronder de onderzoeksrapporten, met betrekking tot het ontwerp. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Invoeringswet Wro blijkt dat bewust is gekozen voor het verschil in terminologie en dat de wetgever ervan uitgaat dat de zinsnede "met de hierbij behorende stukken" in artikel 3.8, eerste lid, onder a, van de Wro uitsluitend ziet op het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting. Gelet op het vorenstaande moet genoemde bepaling aldus worden uitgelegd dat deze in ieder geval de verplichting inhoudt om het ontwerpbestemmingsplan, dat wil zeggen de verbeelding en de planregels, en de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan via elektronische weg beschikbaar te stellen. Deze verplichting strekt zich eveneens uit tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de planregels, zoals een Staat van Bedrijfsactiviteiten, en tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de plantoelichting en die daarvan onderdeel uitmaken.

Niet in geschil is dat de door de vereniging genoemde onderzoeksrapporten bijlagen betreffen die zijn opgenomen bij de plantoelichting en die daarvan onderdeel uitmaken. Gelet hierop dienden deze stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar te worden gesteld.

2.5.4. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de langs elektronische weg beschikbaar gestelde bestanden niet konden worden ingezien zonder bijzondere al dan niet aan te schaffen software en evenmin dat niet alle onderzoeksrapporten behorende bij het bodemonderzoek langs elektronische weg beschikbaar zijn gesteld. Voorts is niet gebleken van een discrepantie tussen de verschillende versies van de rapporten. Dat deze verschillend zijn gedateerd is weliswaar verwarrend, maar betekent niet dat sprake is van een ander onderzoek. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet alle bij het ontwerpbesluit behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar zijn gesteld.

2.6. De vereniging voert tevens enkele onregelmatigheden aan met betrekking tot de terinzagelegging van het vastgestelde plan. Deze beroepsgronden hebben betrekking op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.7. Voorts voert de vereniging aan dat de raad niet heeft kunnen beoordelen welk plan hij vaststelde, nu in de lijst van wijzigingen, zoals opgenomen in de Nota van zienswijzen, behorende bij het door de raad bij het besluit tot vaststelling van het plan overgenomen raadsvoorstel, niet op alle onderdelen is aangegeven om welke specifieke wijzigingen het gaat. Zo staat er dat binnen de bestemming "Tuin (T)" de realisatie van toeritten mogelijk wordt gemaakt zonder dat wordt aangegeven in welke vorm dat geschiedt en staat aangegeven dat met tekstuele aanpassingen van de regels tegemoet wordt gekomen aan de regeling van het overgangsrecht van de Wro, terwijl, naar de vereniging stelt, de vastgestelde planregels afwijken van de dwingend voorgeschreven standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro).

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wijzigingen, zoals opgenomen in de Nota van zienswijzen, inhoudelijk goed beoordeeld konden worden en ook juist in de planregels zijn verwerkt, met uitzondering van het overgangsrecht in artikel 18.1.3 en artikel 18.3.

2.7.2. Ingevolge artikel 18.1.3 van de planregels is artikel 18 niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge artikel 18.3 kan het college van burgemeester en wethouders, voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen, ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht ontheffing verlenen.

2.7.3. De Afdeling acht het raadsbesluit, gelezen in samenhang met de Nota van zienswijzen, voldoende bepaald voor zover daarin staat dat binnen de bestemming "Tuin (T)" in de regels de realisatie van toeritten mogelijk wordt gemaakt en dat de regeling voor het overgangsrecht aan de Wro wordt aangepast. Voorts stelt de Afdeling evenwel vast dat, naar de vereniging in zoverre terecht voordraagt, het overgangsrecht in artikel 18.1.3 van de planregels, nu daarin niet wordt verwezen naar artikel 18.1.1, niet overeenkomt met de voorgeschreven regeling uit artikel 3.2.1 van het Bro en artikel 18.3 van de planregels afwijkt van de facultatieve regeling uit artikel 3.2.3 van het Bro, hetgeen de raad niet heeft beoogd.

2.7.4. Hieruit volgt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.2.1 en artikel 3.2.3 van het Bro voor zover het betreft artikel 18.1.3 en artikel 18.3 van de planregels. Het beroep van de vereniging is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.7.5. Als gevolg van de vernietiging van artikel 18.1.3 van de planregels geldt voor het plangebied geen uitzondering van het overgangsrecht voor bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Teneinde deze situatie te ondervangen voor de periode waarin de raad ter zake van deze planregel met inachtneming van deze uitspraak een herziening van het voorliggende plan dient vast te stellen, ziet de Afdeling aanleiding de in de beslissing te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.6. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen een jaar na en met inachtneming van deze uitspraak een herziening van het voorliggende plan vast te stellen voor zover betrekking hebbend op artikel 18.1.3 van de planregels.

Het appartementencomplex

2.8. De vereniging voert een aantal inhoudelijke bezwaren aan tegen de bouwmogelijkheid van het appartementencomplex.

2.8.1. Het plan voorziet ter plaatse van het voorziene appartementencomplex, voor zover van belang, in de bestemmingen "Woongebied (WG)" en "Groen (G)", de aanduiding "gestapelde woningen (G)" en twee aanduidingen "bouwgrens".

Ingevolge artikel 5.1 van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Woongebied (WG)", voor zover van belang, bestemd voor maximaal 70 gestapelde woningen ter plaatse van de aanduiding "gestapelde woningen (G)" en aan huis verbonden beroepen.

Ingevolge artikel 5.2.1 dienen hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding "gestapelde woningen (G)", voor zover van belang, te voldoen aan de volgende kenmerken:

a. hoofdgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

b. (…);

c. de bouwhoogte is maximaal de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte.

De op de verbeelding aangegeven bouwhoogten variëren van 1 tot 20 m.

Ingevolge artikel 9.1 zijn de gronden met de bestemming "Groen (G)", voor zover van belang, bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting en ontsluitingswegen, met bijbehorende wegen, verhardingen en parkeervoorzieningen en met inachtneming van de keur van het waterschap.

Verkeersafwikkeling

2.9. Ten aanzien van de verkeersafwikkeling betoogt de vereniging dat de bestaande infrastructuur niet berekend is op de voorziene nieuwbouw en ten onrechte geen verkeerskundig onderzoek is verricht.

2.9.1. Na aftrek van voornoemde 36 seniorenwoningen voorziet het plan met de 70 appartementen en de vier woningen in 38 nieuwe woningen. Gelet op dit geringe aantal heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uit het plan voortvloeiende verkeerstoename aanvaardbaar is. De uitkomst van het verkeerskundig onderzoek van DHV van 10 februari 2010 bevestigt dit standpunt van de raad. Hetgeen hieromtrent door de vereniging is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat de geschatte verkeersintensiteit van 595 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etm) past op de erftoegangswegen, die een capaciteit van ongeveer 1.000 mvt/etm hebben. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is. Anders dan de vereniging betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in het deskundigenbericht genoemde aanbevelingen uit de ASVV 2004 van de stichting CROW niet als hulpmiddel mogen worden gehanteerd.

Voor zover de vereniging betoogt dat de raad is uitgegaan van een te lage bestaande verkeersintensiteit overweegt de Afdeling dat de verkeersintensiteit is berekend op basis van de bestaande en voorziene woningen en overige functies in de omgeving in combinatie met de aanbevelingen uit de ASVV 2004. Niet is aannemelijk gemaakt dat het aantal daarmee is onderschat.

Voor zover de vereniging vreest dat een goede verkeersafwikkeling door het invoeren van eenrichtingsverkeer op de toegangswegen niet meer zal zijn gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat niet is gebleken van concrete plannen om eenrichtingsverkeer in te voeren, dit los staat van het onderhavige plan.

Voor zover de vereniging aanvoert dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de onder de bestemming "Woongebied (WG)" toegestane aan huis verbonden beroepen overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is dat dit gebruik op grote schaal zal voorkomen nu hier is voorzien in een appartementencomplex en de woningen bovendien bedoeld zijn voor senioren.

Parkeren

2.10. De vereniging voert aan dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor het appartementencomplex.

2.10.1. Volgens de raad voorziet het plan in de uit het appartementencomplex voortvloeiende parkeerbehoefte van 126 parkeerplaatsen, uitgaande van een parkeernorm per appartement van 1,5 voor bewoners en 0,25 voor bezoekers.

2.10.2. In het deskundigenbericht staat dat de door de raad gehanteerde parkeernorm per appartement van 1,75 voor bewoners en bezoekers tezamen ruim is. In de ASVV 2004 is, uitgaande van de woningcategorie "Woning midden" en de gebiedskenmerken "matig stedelijk" en "schil/verloopgebied", een parkeernorm tussen de 1,5 en 1,7 aanbevolen. Dit leidt tot een behoefte aan maximaal 126 parkeerplaatsen. Nu niet in geschil is dat het plan in ongeveer 131 parkeerplaatsen voorziet, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan het mogelijk maakt dat kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de nieuwe ontwikkeling. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat Stichting Lingeburcht ter zitting heeft verklaard dat de parkeergarage via de bewoners van het appartementencomplex ook voor hun bezoekers toegankelijk zal zijn en dat het plan aan de zuidzijde van Sparta ook nog voorziet in een strook met de bestemming "Verkeer en Verblijf (VV)", waarbinnen parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd.

Voor zover de vereniging betoogt dat ten onrechte niet is gerekend met de woningcategorie "Woning duur" overweegt de Afdeling dat de door de raad gehanteerde parkeernorm ook aan de in de ASVV 2004 aanbevolen minimale parkeernorm van 1,7 voor deze woningcategorie voldoet. Voorts heeft de vereniging niet aannemelijk gemaakt dat ten onrechte is uitgegaan van de gebiedskenmerken "matig stedelijk" en "schil/verloopgebied".

Voor zover de vereniging aanvoert dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de onder de bestemming "Woongebied (WG)" toegestane aan huis verbonden beroepen overweegt de Afdeling ook met betrekking tot het parkeren dat niet aannemelijk is dat dit gebruik op grote schaal zal voorkomen, nu hier is voorzien in een appartementencomplex en de woningen bovendien bedoeld zijn voor senioren.

Bodemverontreiniging

2.11. De vereniging betoogt dat onvoldoende aandacht is besteed aan de bodem- en grondwaterverontreinigingen ter plaatse van het appartementencomplex (hierna: de bouwlocatie).

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de bodemonderzoeken blijkt dat de gronden en het grondwater op de bouwlocatie slechts licht verontreinigd zijn, zodat het plan in zoverre uitvoerbaar is.

2.11.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder d en f, van het Bro gaan een bestemmingsplan, alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een toelichting waarin zijn neergelegd de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Awb verrichte onderzoek en de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. De raad heeft meerdere bodemonderzoeken laten uitvoeren.

Naar aanleiding van het Zintuiglijk milieukundig bodemonderzoek van Adico Milieutechniek B.V. van 28 mei 1999 ten aanzien van een olietank op de bouwlocatie, is in het Nader bodemonderzoek van Adico Milieutechniek B.V. van 27 januari 2000 vastgesteld dat in zoverre geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging.

De Rapportage verkennend onderzoek Orakellaantje e.o. (locatie H2) te Gorinchem van 17 juli 2001 van TMO milieu-onderzoek B.V. ziet op de gehele bouwlocatie en heeft als conclusie dat geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging.

Naar aanleiding van een zintuiglijk waargenomen oliegeur en het aantreffen van een olieleiding tijdens graafwerkzaamheden is in het Nader onderzoek olieverontreiniging te Gorinchem van Syncera Milieu van 4 juli 2006 (hierna: het onderzoek uit 2006) vastgesteld dat dit geen ernstig geval van bodemverontreiniging betreft. In het Evaluatierapport bodemsanering Sparta 1 te Gorinchem van Agel Adviseurs van 13 januari 2009 (hierna: het onderzoek uit 2009) staat dat een tweede olietank is aangetroffen, de olieverontreiniging wat betreft de omvang ernstig was, de gronden zijn gesaneerd en ten aanzien van het grondwater geen sanerende maatregelen noodzakelijk waren. Voorts heeft de in de jaren '60 van de vorige eeuw aangetroffen sliblaag niet tot bodemverontreiniging geleid, aldus het onderzoek uit 2009.

2.11.3. Voor zover de vereniging aanvoert dat de bodemonderzoeken gedateerd zijn, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op voornoemde onderzoeken heeft kunnen baseren, nu nadien geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. In dit verband is van belang dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de sloop van de voorheen aanwezige school zorgvuldig heeft plaatsgevonden en nadien illegaal gestort materiaal van het terrein is verwijderd.

Ten aanzien van de bezwaren van de vereniging tegen het onderzoek uit 2006 overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eventuele gebreken aan het onderzoek uit 2006 geen reden tot twijfel over de staat van de bodem geven, nu uit het onderzoek uit 2009 volgt dat de olieverontreiniging nadien is gesaneerd.

Wat betreft het betoog van de vereniging dat het onderzoek uit 2009 niet op gebruikelijke wijze is verlopen, omdat voorafgaand aan de sanering een door het bevoegd gezag goedgekeurd nader onderzoek en saneringsplan ontbraken, overweegt de Afdeling dat in het onderzoek staat dat de sanering in nauw overleg met het bevoegd gezag is uitgevoerd en de werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de in het onderzoek omschreven richtlijnen. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze richtlijnen onjuist zijn of dat het onderzoek zodanige gebreken of tekortkomingen vertoont dat de raad zich hier niet in redelijkheid op heeft kunnen baseren.

2.11.4. Ten aanzien van het betoog dat uit het onderzoek uit 2009 is gebleken dat de grond met slib is opgehoogd, overweegt de Afdeling dat hierin ook staat dat de ophoging met het slib niet tot verontreiniging heeft geleid en dat dit overeenstemt met de conclusies uit het onderzoek uit 2001. Verder heeft de vereniging niet aannemelijk gemaakt dat een vermeende rioolbreuk en de afvoer van slib en puin in de omgeving aanleiding geven tot vrees voor ernstige bodemverontreiniging op de bouwlocatie.

De vereniging heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het grondwater is verontreinigd, nu onweersproken is gebleven dat in de onderzoeken uit 2001 en 2009 staat dat geen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn.

2.11.5. Gelet op het vorenstaande heeft de raad voldoende onderzoek gedaan en kunnen concluderen dat de staat van de bodem niet aan de bouw van het appartementencomplex in de weg behoeft te staan.

Flora- en fauna

2.12. De vereniging betoogt dat uit het flora- en faunaonderzoek van SAB van 13 augustus 2007 (hierna: het flora- en faunaonderzoek) volgt dat ter plaatse van het appartementencomplex beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn. Dit onderzoek is volgens haar te oud, omdat zich nadien soorten kunnen hebben gevestigd. In dit verband wijst zij er op dat het gebied zich goed leent voor kolonisatie door de rugstreeppad en niet alle in het onderzoek voorgestelde maatregelen om dat te voorkomen zijn getroffen. Ook zijn volgens haar recentelijk uilen en vleermuizen waargenomen.

2.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet aan de uitvoering van het plandeel in de weg staat.

2.12.2. De vragen of voor de uitvoering van een plandeel een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat.

2.12.3. Blijkens de plantoelichting heeft de raad het flora- en faunaonderzoek aan het plan ten grondslag gelegd. Daarbij is een quickscan uitgevoerd en is naar aanleiding daarvan een veldonderzoek naar vleermuizen, amfibieën en spechten verricht. Verder noemt het flora- en faunaonderzoek enkele maatregelen om te voorkomen dat de rugstreeppad het gebied alsnog zou kolonialiseren.

De vereniging heeft een tegenrapport van IJzerman Advies van 11 juni 2010 ingebracht. Hierin staat dat ecologische onderzoeken meestal 2 tot 3 jaar houdbaar zijn en het braakliggende terrein zich thans tot een ecologisch rijk gebied heeft ontwikkeld, dat bijvoorbeeld bij uitstek geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen. Voorts is vermeld dat het flora- en faunaonderzoek niet is uitgevoerd aan de hand van het Vleermuisprotocol van de Gegevensautoriteit Natuur.

2.12.4. Het flora- en faunaonderzoek is opgesteld bij de voorbereiding van het plan. Nu het plan binnen 2 jaar nadien is vastgesteld, heeft de raad zich in redelijkheid op dit onderzoek kunnen baseren. Verder bevestigt de stelling uit het tegenrapport dat ecologische onderzoeken 2 tot 3 jaar houdbaar zijn het standpunt van de raad dat het onderzoek voldoende actueel is.

Het Vleermuisprotocol van de Gegevensautoriteit Natuur is een leidraad bij het onderzoek ten behoeve van een aanvraag van een ontheffing in de zin van de Ffw. In onderhavige procedure is een aanvraag niet aan de orde. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit protocol ten onrechte niet bij het flora- en faunaonderzoek is gehanteerd.

2.12.5. Anders dan de vereniging betoogt, staat in het flora- en faunaonderzoek dat geen soorten zijn aangetroffen waarvoor een ontheffing op grond van de Ffw nodig is. Voorts heeft de vereniging niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van het terrein vaste rust- of verblijfplaatsen van uilen, vleermuizen of rugstreeppadden dan wel vliegroutes van vleermuizen voorkomen. Dat uilen en vleermuizen boven het terrein worden waargenomen is daarvoor onvoldoende. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat, wat verder ook zij van de maatregelen om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen, in het deskundigenbericht, niet althans onvoldoende weersproken, staat dat de poel is gedempt en de braakliggende grond inmiddels is begroeid, zodat het gebied minder geschikt is geworden voor de rugstreeppad.

2.12.6. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat.

Financiële uitvoerbaarheid

2.13. De vereniging betoogt dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat het plandeel financieel uitvoerbaar is en dat thans geen behoefte aan het appartementencomplex bestaat.

2.13.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro gaan een bestemmingsplan, alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een toelichting waarin zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

2.13.2. Uit de plantoelichting volgt dat de raad de financiële uitvoerbaarheid heeft beoordeeld, nu daarover onder meer is gesteld dat het appartementencomplex wordt gerealiseerd door Stichting Lingeburcht en dat de door de gemeente gemaakte kosten door een exploitatieovereenkomst op voornoemde stichting kunnen worden verhaald. Verder is in de plantoelichting vermeld dat in de exploitatieberekening rekening is gehouden met kosten voor verwerving, bouw- en woonrijp maken, plankosten, financieringskosten en overige kosten en dat hierbij is uitgegaan van kengetallen op basis van geactualiseerde ervaringscijfers. Gelet hierop acht de Afdeling de financiële uitvoerbaarheid voldoende inzichtelijk gemaakt.

2.13.3. Uit het verweerschrift volgt voorts dat alle door de gemeente te maken kosten in de exploitatieberekening zijn meegenomen en dat eventuele planschadevergoedingen voor rekening zijn van de ontwikkelaars. Voor zover de vereniging aan de hand van een planschadeanalyse van Bakker Rentmeesters & Makelaars B.V. heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat Stichting Lingeburcht daadwerkelijk in staat zal zijn eventuele planschade te vergoeden, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt en door Stichting Lingeburcht ter zitting is weersproken dat met de vergoeding van planschade zodanige bedragen zijn gemoeid dat zij hiervoor onvoldoende draagkrachtig zou zijn.

2.13.4. Voor zover de vereniging betoogt dat, mede gelet op de ongunstige woningmarkt, geen behoefte aan het appartementencomplex bestaat, overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat de raad heeft verklaard dat een deel van de bewoners van de te vervangen seniorenwoningen naar het appartementencomplex zal terugkeren, nu de appartementen in het bijzonder voor hen geschikt zullen zijn en met de ontwikkelaar een vergelijkbare huur is afgesproken. Daarnaast neemt de Afdeling in aanmerking dat in de Structuurvisie 2005-2015 staat dat de woningvoorraad in Gorinchem-West wordt verdund en dat mede in verband hiermee een gedeelte van de noodzakelijke uitbreiding van de woningvoorraad wordt gevonden door inbreidingslocaties in hetzelfde gebied. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woningmarkt binnen de planperiode weer kan aantrekken.

2.13.5. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft het appartementencomplex financieel uitvoerbaar is.

Water

2.14. De vereniging betoogt dat ten onrechte niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze het verhard oppervlak ter plaatse van het appartementencomplex afneemt. Voorts vraagt zij zich af of de twee halfverdiepte parkeergarages het grondwater niet verdringen.

2.14.1. Ingevolge artikel 9.1, onder e, van de planregels zijn de als "Groen (G)" bestemde gronden, voor zover van belang, bestemd voor voorzieningen voor de waterhuishouding.

2.14.2. In de plantoelichting staat dat het bebouwd oppervlak ter plaatse van het appartementencomplex afneemt en dat daarom geen noodzaak bestaat tot de aanleg van extra waterberging. Voorts staat hier vermeld dat de gronden rondom het appartementencomplex met de bestemming "Groen (G)" ook mogen worden aangewend voor water- en retentiedoeleinden. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het bestuur van het waterschap Rivierenland heeft ingestemd met dit onderdeel van de plantoelichting bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plandeel onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterhuishouding.

Definitie peil

2.15. Daarnaast betoogt de vereniging dat de formulering van het peilbegrip een hoger appartementencomplex mogelijk maakt dan is beoogd. In dit verband voert de vereniging aan dat het bouwterrein kan worden verhoogd.

2.15.1. Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder peil voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, verstaan de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

2.15.2. Ter zitting heeft de raad erkend dat door de zinsnede "bij voltooiing van de bouw" in de definitie van het peilbegrip niet uitgesloten is dat hoger gebouwd wordt dan is beoogd.

2.15.3. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, voor zover het betreft de zinsnede "bij voltooiing van de bouw" in artikel 1, onder peil, van de planregels, voor zover betrekking hebbend op het plandeel betreffende het appartementencomplex. Het beroep van de vereniging is in zoverre gegrond. De zinsnede dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd, voor zover betrekking hebbend op het plandeel betreffende het appartementencomplex.

2.15.4. Als gevolg van deze vernietiging is het peilbegrip voor het plandeel rechtsonzeker. Teneinde deze situatie te ondervangen voor de periode waarin de raad ter zake van deze regel met inachtneming van deze uitspraak een herziening van het voorliggende plan dient vast te stellen, ziet de Afdeling aanleiding de in de beslissing te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.15.5. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen een jaar na en met inachtneming van deze uitspraak een herziening van het voorliggende plan vast te stellen voor zover betrekking hebbend op voornoemde planregel.

Beleid, alternatieven en belangenafweging ten aanzien van het appartementencomplex

2.16. De vereniging acht het plan, voor zover is voorzien in het appartementencomplex, in strijd met het beleid dat is gericht op verdunning van de woningdichtheid.

Voorts staat de ontwikkeling volgens de vereniging haaks op de stedenbouwkundige structuur, die nagenoeg uitsluitend bestaat uit lage en individuele woningbouw, met zichtlijnen van het noorden naar het zuiden.

2.16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het appartementencomplex in het verdunningsbeleid past, nu dit is gericht op andere delen van Gorinchem-West. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het appartementencomplex de stedenbouwkundige structuur versterkt.

2.16.2. In de Structuurvisie 2005-2015 staat onder meer dat de woningvoorraad in Gorinchem-West wordt verdund en dat mede in verband hiermee een gedeelte van de noodzakelijke uitbreiding van de woningvoorraad wordt gevonden door inbreidingslocaties in hetzelfde gebied. De raad heeft het appartementencomplex als inbreiding kunnen aanmerken. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het appartementencomplex niet in strijd is met het beleid.

2.16.3. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige stedenbouwkundige structuur met zichtlijnen van het noorden naar het zuiden, dat het appartementencomplex daar niet bij zou passen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het deskundigenbericht onvoldoende weersproken staat dat dergelijke zichtlijnen niet voorkomen. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat doorsteken naar de zuidelijke groenstrook zijn voorzien en dat is aangesloten bij de bestaande lage en individuele woningen in het plangebied door het appartementencomplex op te delen in verschillende volumes en de hoogte te laten verspringen. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het complex past bij het bijzondere karakter van de groene randzone langs het spoortracé.

2.17. Tevens is de vereniging van mening dat de bouwhoogte leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, in de vorm van beperking van uitzicht, privacy en zonlichttoetreding. Hierbij betrekt zij dat het appartementencomplex dichtbij de bestaande laagbouwwoningen is voorzien. De aantasting van het woon- en leefklimaat kan volgens de vereniging in onvoldoende mate worden beperkt door de aanplant van bomen omdat hiervoor onvoldoende ruimte bestaat. Het voorgaande klemt volgens haar te meer nu het plan in ontheffingsbevoegdheden voorziet voor uitbreiding van de bouwhoogte en het bouwoppervlak, met ontoereikende toepassingsvoorwaarden voor de bescherming van omwonenden.

2.17.1. De raad acht de gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen aanvaardbaar. Hierbij betrekt hij dat het appartementencomplex een gebogen vorm heeft, waarbij de hoogte naar de bestaande woningen toe afneemt. Verder is rekening gehouden met de privacy en het uitzicht van de bewoners van de bestaande woningen door te voorzien in een tussenliggende groenstrook.

2.17.2. Ingevolge artikel 16.1, onder a, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt, dat deze overschrijding redelijk, gewenst of noodzakelijk is in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan en het een overschrijding van maximaal 2 m betreft.

Ingevolge artikel 16.1, onder b, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de in het plan voorgeschreven maatvoeringen voor gebouwen, met dien verstande dat van de in de verschillende artikelen genoemde maten met ten hoogte 10% afgeweken mag worden, zulks met een maximum van 2 m; cumulatie van deze ontheffingsbepaling met de ontheffingsbepalingen van de artikelen in hoofdstuk 2 en 3 van de planregels is niet toegestaan.

Ingevolge artikel 16.2, aanhef en onder a en b, kan een ontheffing als bedoeld in artikel 16.1 slechts worden verleend mits de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad en het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

2.17.3. Niet in geschil is dat het appartementencomplex wat betreft het gedeelte met een bouwhoogte van 20 m is voorzien op een afstand van 48 m van de omliggende woningen, wat betreft het gedeelte met een bouwhoogte van 17 m is voorzien op een afstand van 30 m van de omliggende woningen en wat betreft het gedeelte met een bouwhoogte van 11 m is voorzien op een afstand van 25 m van de omliggende woningen.

2.17.4. Niet valt uit te sluiten dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen door het appartementencomplex in enige mate zal worden aangetast ten opzichte van de tot dusver bestaande situatie. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen evenwel in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Er bestaat geen recht op een blijvend vrij uitzicht.

Gelet op voornoemde afstanden tussen het appartementencomplex en de bestaande woningen en de tussenliggende groenstrook, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen onevenredige aantasting van het uitzicht en de privacy voordoet. Hierbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat de groenstrook, daargelaten of over de gehele breedte plaats is voor hoge bomen, bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat. Verder is van belang dat het hier een stedelijke woonomgeving betreft en dat bij de bestaande woningen relatief diepe voortuinen liggen, zodat de bewoners desgewenst ook op de eigen percelen afschermingsmaatregelen kunnen treffen.

Voorts heeft de raad zich, gelet op voornoemde afstanden, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen onevenredige schaduwhinder voordoet. Het deskundigenbericht, waarin staat dat zich ter plaatse van de bestaande woningen uitsluitend in de winter schaduwhinder voordoet, bevestigt dit standpunt van de raad.

Voor zover is aangevoerd dat de ontheffingsbevoegdheden in artikel 16.1, onder a en b, van de planregels tot een vergroting van het appartementencomplex kunnen leiden, overweegt de Afdeling dat deze bevoegdheden een algemeen karakter hebben en geen plichten zijn. In de besluitvorming omtrent de toepassing hiervan dient het college van burgemeester en wethouders derhalve na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, waaronder die van de omwonenden, ontheffing van de regels is gerechtvaardigd. Gelet op het vorenstaande, de beperkte maximale vergroting met 2 m en de cumulatieve toepassingsvoorwaarden, die onder meer zien op de belangen van omwonenden en het straat- en bebouwingsbeeld, heeft de raad in redelijkheid in de ontheffingsbevoegdheden kunnen voorzien.

2.18. Voorts kan volgens de vereniging worden volstaan met renovatie van de bestaande bebouwing en bestaat geen noodzaak voor hoogbouw. Ook heeft de raad ten onrechte de door haar aangedragen alternatieven voor een invulling met laagbouwwoningen buiten beschouwing gelaten.

2.18.1. De raad dient bij de toekenning van bestemmingen een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat de bestaande seniorenwoningen in slechte staat verkeren, zodat hij renovatie niet gewenst heeft behoeven te achten. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad een alternatieve invulling met laagbouwwoningen niet in zijn besluitvorming heeft betrokken, nu de vereniging heeft gesteld dat uit een verzoek als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur is gebleken dat bij de gemeente een studie voorhanden was met een alternatief dat vergelijkbaar is met de door de vereniging aangedragen laagbouwalternatieven. Volgens de plantoelichting en hetgeen de raad in het verweerschrift naar voren heeft gebracht, heeft hij bij de vaststelling van het plan betrokken dat hoogbouw een verbijzondering van de bebouwing op de unieke locatie langs het spoortracé oplevert, waarbij ruimte overblijft voor het handhaven van bestaand waardevol groen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat laagbouw daarbij niet past.

2.19. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling, behoudens het overwogene in 2.15. tot en met 2.15.5., geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Woongebied (WG)" en "Groen (G)" betreffende het appartementencomplex 'De Slinger'.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de vereniging is in zoverre ongegrond.

De vier woningen

2.20. De vereniging betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de vier woningen en ten behoeve daarvan in een ontsluitingsmogelijkheid. Daarbij voert zij onder meer aan dat ter plaatse geen bodemonderzoek is verricht en het belang bij de vier woningen niet opweegt tegen de afbreuk aan het rijksmonument op het perceel Plantsoen 20.

2.20.1. Het plan voorziet ter plaatse van de voorziene vier woningen in de bestemmingen "Woongebied (WG)" en "Tuin (T)", de aanduidingen "vrijstaande woningen (V)" en "bouwgrens" en ter plaatse van de gronden ten westen daarvan, voor zover van belang, in de aanduiding "indicatieve ontsluiting".

Ingevolge artikel 5.1 van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Woongebied (WG)", voor zover van belang, bestemd voor maximaal vier vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding "vrijstaande woningen (V)" met bijbehorende tuinen en erven.

Ingevolge artikel 5.2.2 voldoen hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding "vrijstaande woningen (V)" aan de volgende kenmerken:

a. hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak;

b. de maximale gevelbreedte van het hoofdgebouw bedraagt 9 m;

c. de bouwhoogte is maximaal de op de plankaart (lees: de verbeelding) aangegeven bouwhoogte;

d. het maximale bebouwingspercentage bedraagt 50;

e. de inhoud van een woning bedraagt maximaal 1.000 m3;

f. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 m.

De op de verbeelding aangegeven bouwhoogte bedraagt 9 m.

2.20.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de realisatie van de vier woningen geen aantasting van het rijksmonument tot gevolg heeft nu in een beeldkwaliteitsplan is vastgelegd dat groene hagen als erfafscheiding worden toegepast. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de vier woningen wat betreft schaal ondergeschikt zijn aan het rijksmonument en aan het Orakellaantje drie woningen nog dichterbij het rijksmonument liggen.

2.20.3. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder d en f, van het Bro gaan een bestemmingsplan, alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een toelichting waarin zijn neergelegd de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Awb verrichte onderzoek en de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

Met de vereniging stelt de Afdeling vast dat de bodemparagraaf uit de plantoelichting niet ingaat op het plandeel betreffende de vier woningen. Evenmin is gebleken dat de vier woningen bij de daar genoemde bodemonderzoeken zijn betrokken.

Dat in het deskundigenbericht staat dat een vertegenwoordiger van de gemeente het bodemonderzoek van Optifeld van 30 november 2009 ten aanzien van voornoemd plandeel heeft overhandigd maakt het voorgaande niet anders. Nog daargelaten dat dit onderzoek van na het bestreden besluit dateert, is in dit historisch onderzoek het uitgangspunt dat het vrij onwaarschijnlijk is dat de dempingen van slootjes tussen de slagen in de periode tussen 1936 en 1959 met verontreinigd materiaal hebben plaatsgevonden, omdat in die periode de aard van het algemeen gebruikte dempingsmateriaal nog niet erg verdacht was, niet met nadere feiten of gegevens onderbouwd.

2.20.4. De Afdeling overweegt verder dat het perceel Plantsoen 20 blijkens de redengevende omschrijving behorende bij de aanwijzing als rijksmonument is aangewezen vanwege, voor zover relevant, het algemeen belang vanwege de cultuur- en architectuurhistorische waarde van het landhuis 't Zonnehuis met bijbehorende tuinaanleg en het hek (…) vanwege de ensemblewaarde aangezien het samen met de tuin en hek een door de architect beoogde stilistische eenheid vormt. Het oorspronkelijke ontwerp van de tuin is goed herkenbaar, aldus de redengevende omschrijving.

In het deskundigenbericht staat dat het grootste deel van één woning en een deel van een tweede woning binnen het perceel vallen dat als rijksmonument is aangewezen.

Uit de redengevende omschrijving blijkt dat het ontwerp van de tuin mede redengevend is geweest voor de aanwijzing als rijksmonument. Niet zonder meer kan worden gesteld dat de voorziene woningen geen afbreuk doen aan het rijksmonument. De stukken bieden in dit geval onvoldoende onderbouwing en aanknopingspunten dat dit gevolg kan worden voorkomen met de beperkingen in de bouwmogelijkheden en met de aanplant van groene hagen op de erfafscheidingen, nog daargelaten de afdwingbaarheid van dit laatste.

2.20.5. Uit 2.20.3. volgt dat hetgeen de vereniging heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder d en f, van het Bro.

Uit 2.20.4. volgt dat hetgeen de vereniging heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van de vereniging is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Woongebied (WG)" en "Tuin (T)" betreffende de vier woningen op het perceel Plantsoen 20. Gelet op de samenhang dient ook de aanduiding "indicatieve ontsluiting" ten westen van de vier woningen te worden vernietigd.

Gezien het vorenstaande behoeven de overige bezwaren van de vereniging met betrekking tot deze plandelen en de aanduiding "indicatieve ontsluiting" geen bespreking meer.

Proceskosten

2.21. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en het beroep van de vereniging Bewonersbelangenvereniging "Haarwijk-Zuid" gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Gorinchem van 25 juni 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haarwijk-Zuid" voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het gedeelte van het perceel [locatie A] zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

b. artikel 18.1.3 en artikel 18.3 van de planregels;

c. de zinsnede "bij voltooiing van de bouw" in artikel 1, onder peil, van de planregels, voor zover betrekking hebbend op het plandeel met de bestemming "Woongebied (WG)" voor het appartementencomplex 'De Slinger';

d. de plandelen met de bestemmingen "Woongebied (WG)" en "Tuin (T)" betreffende de vier woningen op het perceel Plantsoen 20 alsmede de aanduiding "indicatieve ontsluiting" ten westen daarvan;

III. draagt de raad van de gemeente Gorinchem op om binnen een jaar na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan te nemen ten aanzien van artikel 18.1.3 van de planregels en de zinsnede als bedoeld onder II.c. en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. treft de voorlopige voorziening dat:

- artikel 18.1.3 van de planregels als volgt luidt: "Artikel 18.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan";

- de onder II.c. vernietigde zinsnede wordt vervangen door de zinsnede "ten tijde van de vaststelling van het plan";

V. bepaalt dat de onder IV. opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van het door de raad vast te stellen plan;

VI. verklaart het beroep van de vereniging Bewonersbelangenvereniging "Haarwijk-Zuid" voor het overige ongegrond;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Gorinchem aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de vereniging Bewonersbelangenvereniging "Haarwijk-Zuid" vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

533-635.