Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201002546/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Zeddam, herziening 2007 - Kilderseweg 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002546/1/R2.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Zeddam, herziening 2007 - Kilderseweg 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2010, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door W. van Beek MSc, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning op het perceel Kilderseweg 1 in de kern van Zeddam. Het plandeel is 0,4 hectare groot. Het plan is vastgesteld naar aanleiding van een aanvraag om een bouwvergunning.

2.2. [appellant] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan. Hij betwist de aan het plan ten grondslag gelegde motivering en stelt dat het plan alleen is gebaseerd op economische motieven en wordt vastgesteld om juridische procedures te voorkomen. Volgens hem bestaat er geen behoefte aan de woning nu de aanvrager er niet zelf gaat wonen en gelet op de bestaande en gewenste woningvoorraad. Verder stelt [appellant] dat het plan leidt tot een aantasting van zijn woongenot, in het bijzonder wat betreft lichtinval en privacy. [appellant] acht de met dit plan toegestane bouwhoogte voor de woning onevenredig ten opzichte van de hoogte van zijn woning.

2.2.1. De raad acht de toevoeging van een woning uit het oogpunt van volkshuisvesting een te verwaarlozen hoeveelheid en wijst erop dat het een particulier initiatief betreft. Van een afzetprobleem, in het kader van een al te grote woningvoorraad, is volgens de raad geen sprake. De raad stelt verder dat het plan voldoende is gemotiveerd en wijst erop dat het plangebied binnen de woningbouwcontouren ligt en dat sprake is van een inbreidingslocatie. De raad stelt dat de bouwregels uit dit plan gelijk zijn aan die van het bestemmingsplan "Kom Zeddam, herziening 2007" dat geldt voor de omliggende percelen. Hij wijst erop dat de maximaal toegestane hoogte voor de woning van [appellant] ook 11 meter bedraagt.

2.3. Vaststaat dat het plan is vastgesteld na een particulier verzoek. Hoewel de raad bij de vaststelling van het plan er van uit is gegaan dat de initiatiefnemer voornemens was zelf in de woning te gaan wonen, kan uit het enkele feit dat dit niet zo blijkt te zijn niet worden afgeleid dat geen behoefte bestaat aan de toevoeging van een woning ter plaatse. De raad heeft hierbij in redelijkheid van belang kunnen achten dat het gaat om een beperkte inbreidingslocatie met de toevoeging van slechts één woning en hierbij het standpunt kunnen innemen dat niet van belang is wie de woning gaat bewonen.

Vaststaat dat tevens economische motieven een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van het plan nu dit blijkens het vaststellingsbesluit mede is opgesteld vanwege een aantal lopende procedures waaronder die inzake een verzoek om planschade. Dit brengt echter niet met zich dat moet worden geoordeeld dat uitsluitend economische motieven aan het plan ten grondslag liggen nu uit het besluit blijkt dat de raad in de afweging tevens ruimtelijke aspecten heeft betrokken. De raad heeft hierbij onder meer overwogen dat de oorspronkelijke bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan "Kom Zeddam 1993" destijds niet langer zijn opgenomen vanuit de wens onbenutte mogelijkheden te beperken maar dat hieraan geen planologisch zwaarwegende motieven ten grondslag lagen. Er bestaat geen aanleiding het standpunt van de raad dat, gezien de ligging van het perceel en de omliggende bebouwing, uit planologisch oogpunt de toevoeging van een woning op deze plaats in de rede ligt, onjuist te achten. Voorts is volgens de notitie, besproken in de collegevergadering van 5 augustus 2008, een stedenbouwkundige afweging gemaakt voor de inpassing van deze woning en zijn hiertoe in de planregels stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen.

Verder is aangesloten bij de bouwregels van de bestaande bestemmingen voor de omliggende percelen waaronder het perceel van [appellant]. Voor zover het plan dan ook een aantasting van het woongenot van [appellant] tot gevolg heeft, leidt dit niet tot een zodanige aantasting van zijn woon- en leefklimaat dat daaraan doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

317-647.