Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201007401/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2010, kenmerk no. 8083718B, heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht een vergunning onder voorschriften verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het aanleggen en in gebruik hebben van diverse herinrichtingselementen in het Noorderpark bij Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007401/2/R2.

Datum uitspraak: 15 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2010, kenmerk no. 8083718B, heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht een vergunning onder voorschriften verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het aanleggen en in gebruik hebben van diverse herinrichtingselementen in het Noorderpark bij Utrecht.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2010, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 oktober 2010, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Wink, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens is de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht, vertegenwoordigd door mr. J.P.M. Verhoeven en ir. R.J. Groenvelt, werkzaam bij de dienst, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vergunning heeft betrekking op de aanleg van een aantal natuurelementen die verband houden met de herinrichting van het Noorderpark bij Utrecht.

2.3. Het verzoek heeft allereerst betrekking op de aanleg van een natuurstrook langs de Westbroekse Binnenweg die in het besluit is aangeduid als element V.

2.4. Vast staat dat er alvorens tot uitvoering van de natuurstrook kan worden overgegaan een vrijstelling/ontheffing van het ter plaatse geldende bestemmingsplan moet worden verleend in verband met de thans geldende bestemming in het gebied die de aanleg van de natuurstrook niet mogelijk maakt. De natuurstrook valt binnen het grondgebied van de gemeente Maarssen. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht aangegeven dat inmiddels het vrijstellingsverzoek is ingediend maar dat dit nog niet in behandeling is genomen. De gemeente Maarssen heeft aangegeven dat het verzoek zal worden aangehouden omdat de natuurstrook wordt opgenomen in het bestemmingsplan voor het landelijk gebied. Er zal eerst tot behandeling van het vrijstellingsverzoek worden overgegaan indien de bestemmingsplanprocedure in een vergevorderd stadium is. Ter zitting is aangegeven dat dit ongeveer over een jaar het geval zal zijn. Door de vertegenwoordiger van de Dienst Landelijk Gebied Regio West te Utrecht is ter zitting de toezegging gedaan dat eerst na het verlenen van de vrijstelling/ontheffing tot aanleg van de natuurstrook zal worden overgegaan. Gelet hierop gaat de voorzitter er vanuit dat de natuurstrook niet zal worden aangelegd voordat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan in de bodemzaak.

2.5. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de vergunde activiteit voor zover die betrekking heeft op de natuurstrook langs de Westbroekse Binnenweg op dit moment geen onomkeerbare gevolgen heeft voor de positie van [verzoeker] en dat hij in zoverre derhalve geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Voorts richt het verzoek zich tegen de aanleg van een fiets- en ruiterpad langs de Gageldijk - Kooidijk die in het besluit is aangeduid als element 0-4. [verzoeker] heeft - kort samengevat - betoogd dat het fiets-en ruiterpad zal leiden tot verstoring van de leefgebieden van de purperreiger, roerdomp, het porseleinhoen en weidevogels. Er zal, aldus [verzoeker], ook overlast ontstaan door loslopende honden en zwerfafval. De honden kunnen ook ziektekiemen verspreiden. Bovendien is het fietspad overbodig omdat er al wandel- en fietsverbindingen in de omgeving aanwezig zijn.

2.7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter heeft het college zich op basis van de beschikbare informatie, waaronder het uitgevoerde ecologische onderzoek, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aanleg en openstelling van het fiets- en ruiterpad langs de Gageldijk - Kooidijk, niet zal leiden tot significante negatieve effecten op de soorten waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. De voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat uit het ecologisch onderzoek is gebleken dat de roerdomp en het Porseleinhoen niet voorkomen in de directe omgeving van het beoogde fiets- en ruiterpad. Met betrekking tot de verstoring van de purperreiger zij opgemerkt dat uit het rapport van Royal Haskoning is gebleken dat er ten gevolge van dit pad geen significante verstoring zal plaatsvinden. Er blijft voldoende onverstoord en geschikt leefgebied over. Bovendien zal een aantal aanvullende maatregelen worden genomen. De andere weidevogels waar [verzoeker] op doelt, zijn niet opgenomen bij de instandhoudingsdoelen waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. De overige bezwaren die zijn aangevoerd geven naar het voorlopig oordeel van de voorzitter evenmin aanleiding om te oordelen dat het besluit van het college in zoverre niet in stand kan blijven.

2.8. Gezien het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de aanleg van het fiets- en ruiterpad langs de Gageldijk - Kooidijk.

2.9. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2010

224.