Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1149

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201003217/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college aan de gemeente Harderwijk vergunning verleend voor het kappen van 25 bomen en het verplanten van 3 bomen in het Hortuspark te Harderwijk, onder de verplichting daar 14 bomen te herplanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003217/1/H2.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 24 februari 2010 in zaken nrs. 10/20 en 10/177 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college aan de gemeente Harderwijk vergunning verleend voor het kappen van 25 bomen en het verplanten van 3 bomen in het Hortuspark te Harderwijk, onder de verplichting daar 14 bomen te herplanten.

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 april 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2010, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.W. Walhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] klaagt allereerst dat hij niet is uitgenodigd om op de zitting van de rechtbank te verschijnen.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden partijen zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen.

Ingevolge artikel 8:37, eerste lid, voor zover thans van belang, geschieden uitnodigingen om op een zitting van de rechtbank te verschijnen door de griffier bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging, tenzij de rechtbank anders bepaalt.

2.1.2. De klacht slaagt. Gebleken is dat de uitnodiging voor de op 18 februari 2010 gehouden zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank, waarop de zaak is behandeld, niet op de in artikel 8:37, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze aangetekend is verzonden. Voorts is niet gebleken dat de rechtbank omtrent de verzending van de uitnodiging anders heeft bepaald. Nu [appellant] heeft gesteld de uitnodiging niet te hebben ontvangen en blijkens de aangevallen uitspraak niet ter zitting is verschenen moet worden geoordeeld dat de aangevallen uitspraak is gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 8:83 van de Awb, waardoor [appellant] niet de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt ter zitting bij de rechtbank toe te lichten. Dit betekent dat het onderzoek ter zitting bij de rechtbank niet volledig is geweest.

2.1.3. De zaak kan zonder terugwijzing naar de rechtbank worden afgedaan, nu deze geen nader onderzoek vereist en [appellant] in hoger beroep de gelegenheid is geboden om zijn zaak ten volle toe te lichten.

2.2. [appellant] betoogt dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij niet in de nabijheid van de te kappen bomen woont en vanuit zijn woning geen zicht heeft op die bomen. Hij voert aan dat hij als bewoner van de binnenstad en geregelde bezoeker van het Hortuspark belanghebbende is bij de kapvergunning.

2.2.1. Het betoog faalt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet in de nabijheid van de te kappen bomen woont en op die bomen vanuit zijn woning geen zicht heeft. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat volgens een door het college overgelegde kaart, waarop zowel de locatie van de woning van [appellant] als van de dichtstbijzijnde te kappen boom is aangegeven, de afstand tussen de woning en de boom 116 m bedraagt en zich tussen de woning en de boom andere bebouwing bevindt. [appellant] heeft de juistheid van die kaart niet betwist. De omstandigheid dat hij in de binnenstad van Harderwijk woont, waar ook het Hortuspark zich bevindt, en dit park geregeld bezoekt, maakt hem geen belanghebbende bij de kapvergunning.

2.3. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.1.2, gegrond. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank het beroep, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.2.1, terecht ongegrond heeft verklaard.

2.4. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 24 februari 2010 in zaken nrs. 10/20 en 10/177;

III. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

507.