Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201002807/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om zijn boerderij met enkele bijgebouwen (hierna ook: de boerderij) aan te wijzen als beschermd rijksmonument afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002807/1/H2.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 januari 2010 in zaak nr. 08/3261 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om zijn boerderij met enkele bijgebouwen (hierna ook: de boerderij) aan te wijzen als beschermd rijksmonument afgewezen.

Bij besluit van 4 augustus 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 januari 2010, verzonden op 11 februari 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 augustus 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2010, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door M. Teulings, en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vertegenwoordigd door mr. E.H. Visser en dr. I. Contant, beiden werkzaam bij de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Monumentenwet 1988 wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder monumenten verstaan: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

Ingevolge die aanhef en onderdeel d wordt onder beschermde monumenten verstaan: onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, kan de minister, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten als beschermd monument aanwijzen.

Volgens artikel 1 van de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 (hierna ook: de TB 2007) heeft deze beleidsregel betrekking op de wijze waarop de minister gebruikt maakt van de bevoegdheid tot het aanwijzen van onroerende monumenten als beschermd monument, bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

Volgens artikel 2 wijst de minister geen monumenten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Monumentenwet 1988 aan, die zijn vervaardigd vóór 1940.

Volgens artikel 6, eerste lid, voor zover thans van belang, is artikel 2 van toepassing op een monument, ten aanzien waarvan na 23 juli 2004 de aanwijzingsprocedure is gestart.

Volgens het tweede lid, voor zover thans van belang, is artikel 2 niet van toepassing op een monument, ten aanzien waarvan vóór 23 juli 2004 de aanwijzingsprocedure is gestart of door of namens de minister bij belanghebbende dan wel provincie of gemeente het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat het zal worden aangewezen.

2.2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 12 oktober 2007 in zaak nr. 06/4273 geoordeeld dat de minister zijn standpunt in het besluit op bezwaar van 8 september 2006, dat de boerderij geen topmonument is en daarom geen reden bestaat af te wijken van de geldende beleidsregel, onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 28 januari 2010 geoordeeld, samengevat weergegeven, dat [appellant] ten onrechte voorafgaande aan het besluit op bezwaar van 4 augustus 2008 niet is gehoord en dat besluit daarom wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigt. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 28 januari 2010 de rechtsgevolgen van het besluit van 4 augustus 2008 in stand gelaten, omdat in dat besluit voldoende is gemotiveerd dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de minister zou moeten afwijken van zijn in artikel 2 van de TB 2007 neergelegde beleid.

2.3. Volgens de bijlage bij het besluit van 4 augustus 2008 hebben ter voorbereiding van dat besluit twee waardestellend consulenten en een boerderijdeskundige van de Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (hierna: de RACM) de boerderij bezocht voor een nadere beoordeling van de boerderij met bijgebouwen. De minister heeft die bijlage, waarin onder meer een uitgebreide beschrijving van de boerderij en de bijgebouwen is opgenomen, aan het besluit ten grondslag gelegd.

De minister heeft bij het besluit van 4 augustus 2008 zijn standpunt gehandhaafd dat de boerderij met bijgebouwen geen topmonument is en zich ook overigens geen bijzondere feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan hij zou moeten afwijken van zijn in artikel 2 van de TB 2007 neergelegde beleid. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat een topmonument een hoge cultuurhistorische waarde en een uitzonderlijke gaafheid moet hebben en dat bovendien vergelijkbare objecten op de rijksmonumentenlijst moeten ontbreken, zodat duidelijk sprake is van een omissie op de rijksmonumentenlijst indien het monument niet zou worden aangewezen. Volgens de minister heeft de boerderij cultuurhistorische waarde, maar voldoet de boerderij niet aan de overige kenmerken van een topmonument. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat bij de renovatie van de boerderij in 1960 in en aan de gevels veranderingen zijn aangebracht, waardoor deze niet meer gaaf zijn. Verder is het ensemble van boerderij en bijgebouwen niet van uitzonderlijke waarde, omdat het niet authentiek is, nu drie van de ensembleonderdelen oorspronkelijk niet tot de boerderij behoorden maar van latere datum zijn. De boerderij is voorts, wat de cultuurhistorische waarde onderscheidenlijk het interieur betreft vergelijkbaar met twee beschermde boerderijen in Den Dungen, aldus de minister.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 4 augustus 2008 in stand heeft gelaten, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de minister moest afwijken van zijn in artikel 2 van de TB 2007 neergelegde beleid. Hij voert aan dat de boerderij een vergeten topmonument is dat in het verleden ten onrechte niet door de gemeente Bernheze of de provincie Noord-Brabant als monument is aangewezen. Volgens hem heeft de boerderij unieke waarden ten opzichte van het overige bouwbestand. Hij voert verder aan dat de minister, door zijn besluit te baseren op een bezoek van twee waardestellend consulenten en een boerderijdeskundige van de RACM, niet is afgegaan op een onafhankelijke omschrijving van de boerderij en bijgebouwen. [appellant] voert voorts aan dat door de gemeente en de provincie het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de boerderij als monument zou worden aangewezen. Hij voert tot slot aan dat plannen worden ontwikkeld die het voortbestaan van de boerderij in gevaar kunnen brengen.

2.4.1. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.4.2. De minister kan alleen afwijken van de beleidsregel indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, waarbij het dient te gaan om omstandigheden die niet reeds in de beleidsregel zijn verdisconteerd. Een dergelijke omstandigheid zou zich in dit geval voordoen, indien de boerderij met bijgebouwen een topmonument is.

Zoals is weergegeven onder 2.3, heeft de minister in het besluit van 4 augustus 2008 niet weersproken dat de boerderij cultuurhistorische waarde heeft. Hij heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat de boerderij niet aan de overige criteria voor een topmonument voldoet, omdat, naar [appellant] niet heeft bestreden, de gevels van de boerderij niet gaaf zijn, het ensemble van de boerderij met bijgebouwen geen uitzonderlijke waarde vertegenwoordigt en de boerderij wat de cultuurhistorische waarde en het interieur betreft vergelijkbaar is met reeds beschermde boerderijen. [appellant] heeft niet overtuigend aangegeven, waarom de minister bij het besluit van 4 augustus 2008 niet mocht afgaan op de bevindingen van de medewerkers van de RACM. Deze medewerkers moeten ter zake voldoende deskundig worden geacht. Hij heeft ook geen andere bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan de minister de boerderij in afwijking van de beleidsregel als beschermd rijksmonument moest aanwijzen. De omstandigheid dat de gemeente of de provincie in het verleden de boerderij niet als monument heeft aangewezen, betekent niet dat de minister dit thans, in afwijking van zijn in de beleidsregel neergelegde beleid, zou moeten doen.

De minister is niet gebonden aan uitlatingen van de gemeente of de provincie over de monumentwaardigheid van de boerderij, nog daargelaten dat [appellant] niet heeft uiteengezet op welke wijze de gemeente of de provincie het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de boerderij als monument zou worden aangewezen. [appellant] heeft voorts niet uiteengezet waaruit het door hem gestelde gevaar voor het voortbestaan van de boerderij bestaat.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 4 augustus 2008 terecht in stand gelaten. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

507.