Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201002443/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een onbemand tankstation met autowasvoorziening aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002443/1/H1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 februari 2010 in zaak nr. 09/1335 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een onbemand tankstation met autowasvoorziening aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 april 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2010, waar het college, vertegenwoordigd door M.M. Davits, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door M.G.H. Kuipers en bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een onbemand tankstation met autowasvoorziening op een perceel gelegen aan de [locatie] te [plaats].

2.2. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "De Hulst" rust op het perceel de bestemming "Industrie". Het bouwplan past niet binnen deze bestemming. Om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college hiervoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Blijkens de voorschriften van het aangrenzende bestemmingsplan "De Hulst 2" mocht in het daartoe behorende plangebied één verkooppunt voor motorbrandstoffen, met LPG, worden gevestigd. Tot 1 januari 2006 gold daarvoor de eis dat dit uitsluitend was toegestaan indien sprake was van een zogeheten verplaatsingsgeval. Als verplaatsingsgeval is Autobedrijf GHV aangemerkt. Dit bedrijf heeft de daaruit voortvloeiende rechten overgedragen aan [vergunninghoudster].

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te oordelen dat de in het bestemmingsplan "De Hulst 2" opgenomen beperking gold tot 1 januari 2006, ten onrechte niet is uitgegaan van het tussen partijen vaststaande feit dat sprake is van een verplaatsingsgeval als bedoeld in het bestemmingsplan "De Hulst 2".

2.4.1. Het betoog faalt. Voor zover het van belang was een oordeel t geven over de uitleg van de bepalingen van het bestemmingsplan "De Hulst 2" betekent de omstandigheid dat tussen partijen vast staat dat Autobedrijf GHV als verplaatsingsgeval moet worden aangemerkt betekent niet dat de rechtbank daartoe niet meer gehouden was. De rechtbank heeft derhalve terecht een oordeel gegeven over de relevantie van de kwalificatie van Autobedrijf GHV als verplaatsingsgeval.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank in het kader van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft overwogen dat van het college niet kan worden gevergd aan [vergunninghoudster] dezelfde eisen te stellen als destijds aan haar zijn gesteld, omdat sprake is van een tijdsverloop van 3,5 jaar tussen het afbreken van de onderhandelingen met [appellant] en het moment waarop [vergunninghoudster] de aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning heeft ingediend, en de vestigingslocatie van [vergunninghoudster], anders dan de destijds door [appellant] beoogde vestigingslocatie, is gelegen binnen het bestemmingsplan "De Hulst". Zij voert hiertoe aan dat het college nagenoeg onmiddellijk na het afbreken van de onderhandelingen met haar in contact is getreden met [vergunninghoudster], zodat geen sprake is van de door de rechtbank genoemde periode van 3,5 jaar.

2.5.1. De onderhandelingen tussen het college en [appellant] over het oprichten van een tankstation hadden betrekking op een locatie die was gelegen in het bestemmingsplan "De Hulst 2". Het bouwplan van [vergunninghoudster] ziet op het oprichten van een onbemand tankstation op een locatie gelegen in het bestemmingsplan "De Hulst". Reeds hierom heeft de rechtbank terecht overwogen dat van het college niet kon worden gevergd aan [vergunninghoudster] dezelfde eisen te stellen als toentertijd zijn gesteld aan [appellant]. De rechtbank heeft dan ook in het betoog van [appellant] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt tot slot tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van bouwvergunning en vrijstelling in de weg staat, reeds omdat van een privaatrechtelijke belemmering om het bouwplan uit te voeren niet is gebleken. De stelling van [appellant] dat zij schade heeft geleden is geen privaatrechtelijke belemmering als hier aan de orde.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

17-473.