Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201001610/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 13 oktober 2010 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het garagebedrijf en de opslag in de bouwwerken en op de onbebouwde gronden op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/3667
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001610/1/H1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats] (hierna in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 december 2009 in de zaken nrs. 09/1848 en 09/1856 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 13 oktober 2010 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het garagebedrijf en de opslag in de bouwwerken en op de onbebouwde gronden op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Bij afzonderlijke besluiten van 26 februari 2009 heeft het de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2009, verzonden op 5 januari 2010, heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 maart 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.Th.J. van 't Zelfde, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door J. van Dalen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bestemmingsplan zo onduidelijk is, dat de lasten niet ter handhaving daarvan opgelegd mochten worden. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 1983". De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de handmatig aangebrachte aanpassingen als gevolg van het in werking treden van het bestemmingsplan "Correctieve Herziening buitengebied, herziening 1983" ertoe hebben geleid dat de voorschriften tot handhaving waarvan de besluiten van 13 oktober 2010 zijn genomen zo onduidelijk zijn, dat de opgelegde lasten daarop niet gebaseerd mochten worden. Zij zijn leesbaar en begrijpelijk. Evenzeer terecht heeft het in beroep aangevoerde de rechtbank geen grond gegeven voor het oordeel dat de bij het bestemmingsplan behorende plankaart onvoldoende duidelijk is. Ingevolge de ter zitting getoonde plankaart rust op het perceel de bestemming "Agrarische bouwstrook". Voorts heeft de rechtbank met juistheid het bestemmingsplan "Correctieve herziening buitengebied, herziening 1983" op 25 april 1997 in werking getreden geacht.

2.2. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het opleggen van de lasten van onjuiste feiten is uitgegaan, omdat op het perceel slechts herstel en onderhoud van landbouwmachines, inclusief de verhuur daarvan, plaatsvindt. Volgens [appellant] wordt op het perceel dan ook geen garagebedrijf uitgeoefend. Hij betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat herstel, onderhoud en verhuur van landbouwvoertuigen niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, achttiende lid, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 1983" (hierna: het bestemmingsplan) wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: een akkerbouw-, weidebouw-, bloementeelt-, sierteelt-, fruitteelt- of ander tuinbouwbedrijf, alsmede een pluimvee-, varkens-, rundvee- en mestkalverenhouderij, een champignonkwekerij, dan wel een uit twee of meer van genoemde bedrijfstakken samengesteld bedrijf, al dan niet met vee, met uitzondering van een paardenhouderij, paardenfokkerij, pelshouderij en een agrarisch-industrieel bedrijf.

Ingevolge artikel 8, lid B en onder 1, is het verboden de tot "Agrarisch gebied I (afwegen van belangen noodzakelijk)" bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de daaraan gegeven bestemming. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden:

a. voor, voor zover thans van belang, het oprichten of plaatsen van onderkomens;

b. voor het plaatsen, het doen of laten plaatsen van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;

c. voor het opslaan van hout- en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;

d. voor het ten verkoop opslaan van landbouwvoertuigen of onderdelen daarvan;

e. voor het kennelijk ten verkoop opslaan van ongebruikte en/of gebruikte dan wel geheel of ten dele uit gebruikte samengestelde motorrijtuigen of aanhangwagens, welke bruikbaar en niet aan hun bestemming ontrokken zijn;

f. als opslag-, stort- of bergplaats - al dan niet ten verkoop - van onbruikbare of althans aan hun bestemming onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden en zulks bovendien geen afgedankte voorwerpen en materialen betreft.

Ingevolge artikel 9, voor zover thans van belang, zijn gronden met de bestemming "Agrarische bouwstrook" bestemd voor de uitoefening van de landbouw en de bouw en exploitatie van agrarische bedrijfsgebouwen, al dan niet met woning, in het kader van de uitoefening van een bestaand agrarisch bedrijf.

Ingevolge dat artikel, lid B, is met betrekking tot ander gebruik van de tot "Agrarische bouwstrook" bestemde gronden het bepaalde in artikel 8, lid B, van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge lid C en onder 1, voor zover thans van belang, is het verboden bouwwerken op de tot "Agrarische bouwstrook" bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

2.2.2. Uit de besluiten van 13 oktober 2008 blijkt dat de desbetreffende last ziet op het staken van herstel en onderhoud aan auto's en landbouwvoertuigen. In beroep is niet gesteld dat die activiteiten niet plaatsvinden. Derhalve heeft de rechtbank in het aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college van onjuiste feiten is uitgegaan. Zij heeft evenzeer terecht het herstel, onderhoud en verhuur van landbouwvoertuigen, waar de last op ziet, in strijd met het bestemmingsplan geacht. Deze activiteiten passen niet bij een bestaand agrarisch bedrijf in de zin van artikel 1, achttiende lid, van de planvoorschriften, terwijl artikel 9 uitsluitend de uitoefening van de landbouw en de bouw en exploitatie van agrarische bedrijfsgebouwen, al dan niet met woning, in het kader van de uitoefening van een bestaand agrarisch bedrijf op het perceel toelaat. Dat de op het perceel plaatsvindende activiteiten, zoals [appellant] aanvoert, niet in artikel 8, lid B en onder 1, sub a tot en met f, van de planvoorschriften zijn vermeld, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de opsomming daarin uitputtend is.

Het betoog faalt ook.

2.3. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat het herstel, onderhoud en verhuur van landbouwvoertuigen door het overgangsrecht van het bestemmingsplan beschermd is.

2.3.1. Ook dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2007 in zaak nr. 200607370/1), is het aan degene die een beroep doet op het overgangsrecht om aannemelijk te maken dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond en nadien ononderbroken is voortgezet.

De rechtbank heeft terecht door [appellant] tegenover het college niet aannemelijk gemaakt geacht dat ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan op 16 maart 1987 (hierna: de peildatum) op het perceel herstel, onderhoud en verhuur van landbouwvoertuigen plaatsvond. Daartoe heeft zij terecht in aanmerking genomen dat de loods waarin die werkzaamheden thans grotendeels plaatsvinden eerst sinds 1992 bestaat en voor het oprichten daarvan bouwvergunning is verleend ten behoeve van een machineberging/wagenloods ter vervanging van een oude machineberging/wagenloods. De door [appellant] overgelegde getuigenverklaringen van omwonenden heeft het college onvoldoende mogen oordelen om aannemelijk gemaakt te achten dat die laatste loods, die thans voor opslag van materialen wordt gebruikt, op de peildatum werd gebruikt ten behoeve van herstel, onderhoud en verhuur van landbouwvoertuigen, nu deze verklaringen niet door enig objectief bewijsmiddel worden gestaafd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

17-552.