Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
201001686/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rotterdam bij besluit van 14 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Hoogvliet Oudeland".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001686/1/R1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting de Bomenridders, gevestigd te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rotterdam bij besluit van 14 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Hoogvliet Oudeland".

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter], [penningmeester], en I. van Overbeek, is verschenen. Voorts is daar de raad, vertegenwoordigd door L.K.T. Schrantee en drs. R. Meijer, beiden werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.1.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de statuten van de stichting heeft zij tot doel:

a. het beschermen van het milieu en het natuurschoon in het algemeen en in het bijzonder van bosplantsoen, bomen, heesters, struiken en andere groenvoorzieningen in de gemeente Rotterdam en de omgeving daarvan;

b. het in stand houden van het groene leefmilieu in de gemeente Rotterdam en de omgeving daarvan;

c. het leveren van een bijdrage, verband houdende met het vorenstaande, aan de belangenbehartiging van de bewoners in het betrokken gebied;

d. al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.

2.1.2. Gelet op de doelstelling van de stichting is de Afdeling van oordeel dat zij door het bestreden besluit voor wat betreft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 7 (WD7)" niet rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt, nu ten behoeve van de bouw hiervan geen groen hoeft te verdwijnen noch het groen in de omgeving op andere wijze wordt aangetast. De stichting kan derhalve ten aanzien van dit plandeel niet als belanghebbende in de zin van de Awb worden aangemerkt.

2.1.3. Het beroep van de stichting, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 7 (WD7)", is niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep

2.3. De stichting betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dit voorziet in de bouw van zes woningen ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1 (WD1)". In dit kader voert zij aan dat er geen behoefte bestaat aan deze woningen. Voorts wijst zij erop dat het Marthapark als 'groene voeg' een belangrijke functie als groenbuffer heeft tussen de Aveling en de bestaande bebouwing, dat dit park reeds eerder verkleind is voor onder andere woningbouw en dat er weinig park voor de omwonenden over zal blijven. Voorts voert de stichting aan dat ter plaatse niet kan worden gebouwd, gelet op de luchtvervuiling veroorzaakt door het verkeer van de Aveling. Ten slotte stelt de stichting dat er alternatieve locaties zijn waar de woningen gebouwd kunnen worden en dat realisatie van het plan zal leiden tot de aanleg van een bouwweg en infrastructuur voor de woningen, waardoor het waterpeil zal veranderen en de overgebleven bomen in het park zullen worden aangetast.

2.4. Het college heeft goedkeuring verleend aan het plandeel en stelt zich op het standpunt dat de raad op verantwoorde wijze met de buitenruimte omgaat en op zorgvuldige wijze de belangenafweging tussen woningbouw en het behoud van groen heeft gemaakt. Weliswaar verdwijnt er groen, maar Hoogvliet is reeds zeer ruim bedeeld met groen en bovendien wordt elders binnen het plangebied groen toegevoegd. Voorts wijst het college hierbij op de door de raad aangenomen motie Bomen Marthalaan waarin is bepaald dat de aanwezige beeldbepalende wilgen in het bouwplan zullen worden ingepast.

Het college stelt voorts dat de luchtkwaliteit ter plaatse is onderzocht en dat niet is gebleken van overschrijding van de grenswaarden, noch voor, noch na de planrealisatie.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de beoogde locatie is gekozen omdat deze goed aansluit bij de reeds aanwezige bebouwing. De omvang is zodanig gekozen dat deze de 'groene voeg' niet aantast.

Ten aanzien van het waterpeil stelt de raad dat hij niet bekend is met gevallen in Hoogvliet waar het waterpeil als gevolg van bouwwerkzaamheden blijvend is veranderd en evenmin met gevallen waarin schade aan bomen of struiken is ontstaan als gevolg van een tijdelijke en plaatselijke verlaging van het grondwater. Tot slot stelt de raad dat ontsluiting van de bouwkavels kan plaatsvinden via het bestaande Tannhauserpad, zodat de aanleg van een nieuwe bouwweg of ontsluitingsweg niet nodig is.

2.5. Op de gronden in het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1 (WD1)" mogen ingevolge artikel 3, tweede lid, onder 1, van de planvoorschriften ten hoogste zes vrijstaande woningen worden gebouwd, elk bestaande uit maximaal drie bouwlagen (plat afgedekt), dan wel twee bouwlagen en een kap. Deze gronden maken deel uit van het Marthapark en kenden in het voorheen geldende plan de bestemming "Groen (G)".

2.5.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. In dit geval heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om het belang van de voorziene woningen zwaarder te laten wegen dan het behoud van het Marthapark ter plaatse. In dit kader is van belang dat in de plantoelichting staat dat een speerpunt van het beleid is om meer grondgebonden woningen te realiseren om zo de bestaande homogene woningvoorraad te diversifiëren hetgeen nodig is om verdere verpaupering van de wijk te voorkomen. Anders dan de stichting betoogt zijn de woningen, zo volgt uit de plankaart, niet voorzien binnen de aanduiding "groene voeg". Voorts heeft de raad aangegeven de bestaande groenstructuren in Hoogvliet zoveel mogelijk te willen handhaven en heeft in dit kader de motie Bomen Marthalaan - waarin bepaald is dat de aanwezige beeldbepalende wilgen in het bouwplan ingepast zullen worden - aangenomen. Eveneens is van belang dat Hoogvliet reeds over veel groen beschikt en dat het verdwijnende groen in het Marthapark elders in de wijk gecompenseerd wordt.

De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat het waterpeil ter plaatse anders dan tijdelijk zal veranderen ten gevolge van de realisering van het plan en dat dientengevolge het aanwezige groen hierdoor aangetast zal worden. In dit verband wijst de Afdeling erop dat de voorziene woningen blijkens de plankaart worden ontsloten op het reeds bestaande Tannhauserpad en dat ook het bouwverkeer hiervan gebruik zal maken. In zoverre zal geen verdere verharding van de gronden plaatsvinden.

Voorts is ten behoeve van het plan onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit ter plaatse. Uit dit onderzoek volgt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de wettelijke grenswaarden, zodat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in zoverre sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen.

Ten slotte kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Het betoog van de stichting faalt.

2.6. De conclusie is dat hetgeen de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1 (WD1)" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover betreffende het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 7 (WD7)";

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010

533-667.