Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
200909986/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2002 heeft het college afwijzend gereageerd op het verzoek van onder meer [appellant] om handhavend op te treden tegen de bouwwerkzaamheden en de activiteiten op het perceel aan de Poolseweg 20 te Putten (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909986/1/H1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 november 2009 in zaak nr. 08/1722 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2002 heeft het college afwijzend gereageerd op het verzoek van onder meer [appellant] om handhavend op te treden tegen de bouwwerkzaamheden en de activiteiten op het perceel aan de Poolseweg 20 te Putten (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 november 2009, verzonden op 20 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 oktober 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2010.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.C.M. Heinen, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Vooren en A. Kleier, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Sauna Drome B.V. (hierna: Sauna Drome), vertegenwoordigd door mr. F.M.G.M. Leyendekkers, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Sauna Drome exploiteert op de percelen Tolweg 13-15 te Putten een sauna. Bij afzonderlijke besluiten van onderscheidenlijk 20 juli 2001 en 21 augustus 2001 heeft het college bouwvergunningen verleend voor het verbouwen van de op het - ernaast gelegen - perceel aanwezige woning en bijgebouw. Sauna Drome heeft deze gebouwen verbouwd en vervolgens in gebruik genomen als beautyfarm. Het gebruik als beautyfarm is niet in overeenstemming met de op het perceel ingevolge het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied" rustende agrarische bestemming. Voorts is op het perceel gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunningen dan wel zonder een daartoe vereiste bouwvergunning.

2.2. Het college heeft zich bij besluit op bezwaar van 21 oktober 2008 op het standpunt gesteld dat concreet zicht bestaat op legalisering van de beautyfarm. Daartoe heeft het overwogen dat een vastgestelde herziening van het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied", waarin de beautyfarm is ingepast, ter goedkeuring voorligt bij het college van gedeputeerde staten van Gelderland. Weliswaar is het goedkeuringsbesluit wat betreft het betreffende plandeel door de Afdeling vernietigd bij uitspraak van 20 februari 2008 in zaak nr. 200608145/1, maar de door het college van gedeputeerde staten met het oog op zijn nieuwe besluitvorming gewenste geluid- en natuuronderzoeken zijn inmiddels uitgevoerd en uit deze onderzoeken zijn naar de mening van het college geen belemmeringen naar voren gekomen die aan de beoogde legalisering in de weg staan.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit op bezwaar van 21 oktober 2008 wegens strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vernietiging in aanmerking komt, omdat [appellant] ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord over de na de zitting van de commissie van bezwaar gereed gekomen rapporten van de hiervoor genoemde onderzoeken. De rechtbank heeft overwogen dat deze rapporten van aanmerkelijk belang waren voor de beantwoording van de vraag of er ten tijde van het bestreden besluit sprake was van concreet zicht op legalisering. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Aangezien het college van gedeputeerde staten bij zijn besluit van 4 september 2009 opnieuw goedkeuring heeft verleend aan het plandeel van het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied", waarin de beautyfarm is ingepast, kan volgens de rechtbank niet anders worden geoordeeld dan dat er thans concreet zicht op legalisering bestaat van de beautyfarm en dat het college daarom terecht heeft afgezien van handhavend optreden.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 21 oktober 2008 in stand te laten. [appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank zich bij haar oordeel ten onrechte niet heeft beperkt tot de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van dat besluit. Voorts voert [appellant] daartoe aan dat het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van 4 september 2009 in de thans lopende beroepsprocedure bij de Afdeling niet in stand zal blijven.

2.4.1. Het betoog faalt. De toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Awb na vernietiging van een besluit, houdt in dat de rechtbank - in de plaats van het bestuursorgaan - beoordeelt of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven en een nieuw besluit van het bestuursorgaan niet nodig is. Dit betekent dat de rechtbank bij haar oordeel terecht is uitgegaan van de feiten en omstandigheden die zich voordeden ten tijde van het doen van de uitspraak. In dit verband wordt gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:72, derde lid, van de Awb (Kamerstukken 1991/1992, 22495, nr. 3, blz. 145) waarin - samengevat weergegeven - staat dat bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van een vernietigd besluit in stand dienen te blijven, in beginsel moet worden uitgegaan van de geldende feiten en omstandigheden ten tijde van het doen van de uitspraak, alsmede het op dat moment geldende recht.

Voorts heeft de rechtbank in de omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten bij besluit van 4 september 2009 goedkeuring heeft verleend aan het plandeel van het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied" waarin de beautyfarm is ingepast, aanleiding mogen zien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat daardoor ten tijde van het doen van de uitspraak concreet zicht bestond op legalisering van de beautyfarm. Dat de mogelijkheid bestaat dat het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van 4 september 2009 in de thans lopende beroepsprocedure bij de Afdeling niet in stand zou kunnen blijven, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ten tijde van de uitspraak voor de rechtbank niet op voorhand viel aan te nemen dat het beroep tegen het goedkeuringsbesluit ertoe zou leiden dat het plandeel van het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied" waarin de beautyfarm als zodanig is bestemd, geen rechtskracht zou verkrijgen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010

17-543.