Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
200907706/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het college onder meer hogere waarden als bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de nieuw aan te leggen Kersenbaan vastgesteld voor een aantal woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907706/1/M2.

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2 A] en anderen, wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het college onder meer hogere waarden als bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de nieuw aan te leggen Kersenbaan vastgesteld voor een aantal woningen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, alsmede [appellant sub 2 A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] alsmede [appellant sub 2 A] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2 A] en anderen en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2 A] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2010, waar [appellant sub 2 A] en anderen, van wie [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] in persoon, bijgestaan door mr. G.H. van der Waaij, advocaat te Leusden, en ing. L.F.M. Lemmers, [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. G.H. van der Waaij, en het college vertegenwoordigd door mr. T.I. Leemans-van Koten, advocaat te Rotterdam, en ing. B.H. Willighagen, zijn verschenen.

Bij besluit van 7 september 2010 heeft het college het besluit van 11 augustus 2009 ingetrokken.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit geheel aan het beroep tegemoet komt.

2.2. Het besluit van 7 september 2010 komt geheel tegemoet aan de beroepen van [appellant sub 1] alsmede [appellant sub 2 A] en anderen. Niet is gebleken dat zij nog belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 11 augustus 2009.

2.3. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.

2.4. Met betrekking tot de vraag of aanleiding bestaat om het college in de proceskosten te veroordelen moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot deze veroordeling. In de omstandigheid dat de intrekking van het bestreden besluit geheel tegemoet komt aan de beroepen van [appellant sub 1] alsmede [appellant sub 2 A] en anderen ziet de Afdeling aanleiding het college op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

2.4.1. Nu aan [appellant sub 1] alsmede [appellant sub 2 A] en anderen ter zitting rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en omdat hun beroepen, opgesteld door deze rechtsbijstandverlener, identiek zijn, ziet de Afdeling wat betreft de kosten van deze door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aanleiding uit te gaan van één beroep. Het bedrag dat voor deze kosten moet worden vergoed, wordt verdeeld over [appellant sub 1] alsmede [appellant sub 2 A] en anderen.

2.4.2. De door [appellant sub 2 A] en anderen opgegeven kosten wegens verlet zijn gesteld op € 318,54, waarbij is uitgegaan van het maximaal uurtarief van € 53,09 en van een forfaitair aantal uren van 6. De te vergoeden kosten voor rapportages die zijn opgesteld door een door [appellant sub 2 A] en anderen ingeschakelde deskundige, bedragen € 2450,00. Daarbij is uitgegaan van 49 uren, voor een forfaitair bedrag van € 50,00 per uur.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 546,25 (zegge: vijfhonderdzesenveertig euro en vijfentwintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort tot vergoeding van bij [appellant sub 2 A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3723,08 (zegge: drieduizend zevenhonderddrieëntwintig euro en acht cent), waarvan € 546,25 (zegge: vijfhonderdzesenveertig euro en vijfentwintig cent) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2 A] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Van Hulst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010

402.