Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
201000755/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur zijn beslissing om op 18 mei 2008 de hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het pand) direct te ontmantelen op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur bepaald dat de kosten voor toepassing van de bestuursdwang voor rekening van [appellant] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Algemene wet bestuursrecht 5:24
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/326 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4284
JB 2010/255 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
JIN 2011/44
JIN 2011/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000755/1/H1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2009 in zaak nr. 09/1176 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur zijn beslissing om op 18 mei 2008 de hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het pand) direct te ontmantelen op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur bepaald dat de kosten voor toepassing van de bestuursdwang voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2009, verzonden op 15 december 2009, heeft de rechtbank Rotterdam het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.H. Steensma, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E. Ossel, werkzaam bij de deelgemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, gelezen in samenhang met het vijfde lid, van de Awb behoeft het bestuursorgaan geen termijn te gunnen waarbinnen belanghebbenden tenuitvoerlegging van bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge artikel 5:25, vierde lid, worden onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 5:24, vierde lid, is verstreken.

Ingevolge het bestemmingsplan "Kleiwegkwartier" rust op het perceel waarop het pand zich bevindt de bestemming "Woningen (W)".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor laagbouw en/of gestapelde woningen, inclusief inpandige bergingen, groenvoorzieningen en paden, waterkering, als bedoeld in artikel 21 van deze voorschriften, praktijkruimten op de begane grond, overbouwde doorgang, parkeergarages, horeca op de begane grond, kantoren, winkels op de begane grond, bijzondere doeleinden die op de plankaart zijn aangegeven en bescherming archeologisch erfgoed, als bedoeld in artikel 23A van deze voorschriften.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, is het verboden de in het bestemmingsplan gelegen onbebouwde gronden en de in het plan gelegen bouwwerken geheel of gedeeltelijk te gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de daaraan in het plan gegeven bestemming(en) en/of het volgens de voorschriften uitsluitend toegestane gebruik, dan wel met de uit deze voorschriften voortvloeiende aard van bebouwing.

2.2. Vaststaat dat het gebruik van het pand als hennepkwekerij in strijd is met artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en dat het dagelijks bestuur bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij als overtreder van het voormelde verbod kan worden aangemerkt en dat de kosten van de handhaving voor zijn rekening konden worden gebracht. Hij voert aan dat hij het beheer van de woning ten tijde hier van belang had overgedragen aan Expolease Bemiddeling & Advies vanwege zijn verblijf in het buitenland. Door tussenkomst van Expolease zou de woning zijn verhuurd. Aangezien deze onderhuurder bekend is bij het dagelijks bestuur en deze heeft toegegeven de hennepkwekerij op eigen gezag te hebben ingericht, kan [appellant] als eigenaar niet als overtreder worden beschouwd, maar de huurder of de onderhuurder die het pand daadwerkelijk heeft gebruikt, zo stelt hij.

2.3.1. De Afdeling stelt voorop dat een bestuursorgaan dat de kosten van spoedbestuursdwang wenst te verhalen, aannemelijk dient te maken dat degene op wie het verhaal zoekt, als overtreder kan worden aangemerkt.

Is, in een geval als het onderhavige, de betrokkene de eigenaar van de woning en staat hij op het adres in kwestie ingeschreven bij de gemeentelijke bevolkingsadministratie (GBA), dan mag er in beginsel van worden uitgegaan dat de betrokkene overtreder is. Vervolgens is het aan de betrokkene om, indien daartoe aanleiding bestaat, dat uitgangspunt te weerleggen. Komt de betrokkene met feiten en omstandigheden die de aanname van overtrederschap weerleggen, dan ligt het op de weg van het bestuursorgaan daarop te reageren.

2.3.2. Het staat vast dat [appellant] ten tijde van het toepassen van de bestuursdwang eigenaar van de woning was en dat hij op dat adres stond ingeschreven bij het GBA. Volgens een rapport van de elektriciteitsmaatschappij Eneco was de hennepkwekerij vermoedelijk sinds omstreeks 8 februari 2008 in bedrijf. [appellant]s stelling dat dit rapport wellicht ziet op een andere woning dan de zijne, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat het dagelijks bestuur mocht uitgaan van de juistheid van het rapport.

Zoals uit de uitspraak van 21 mei 2008 in zaak nr. 200706734/1 volgt, mag van de eigenaar van een pand dat in strijd met de bestemming als hennepkwekerij wordt gebruikt, worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Hij dient aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet heeft kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. Daarbij kan van belang zijn op welke wijze de woning werd verhuurd.

2.3.3. [appellant] heeft gesteld dat hij gedurende de periode dat de hennepkwekerij aanwezig was in het buitenland verbleef en dat zijn woning door tussenkomst van Expolease werd verhuurd aan derden. Volgens [appellant] verzorgde Expolease de totstandkoming van huurovereenkomsten met derden als hij in het buitenland was, en nam het de huurpenningen in ontvangst. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [appellant] onder meer overgelegd een contract tussen hem en Expolease, gedateerd 23 juli 2007, betreffende het overnemen van het beheer van de woning per 1 september 2007 gedurende de verhuur daarvan aan een Pools bedrijf, en een contract, gedateerd 8 november 2007, betreffende het overnemen van het beheer met ingang van 15 november 2007 voor de periode van een jaar en de verhuur van de woning aan een derde. Ook is een tussen Expolease en deze derde gesloten huurcontract, gedateerd 23 februari 2008, betreffende de verhuur van de woning met ingang van 1 maart 2008, overgelegd.

Het dagelijks bestuur is niet ingegaan op de stellingen van [appellant], maar heeft - ook in beroep - volstaan met zijn standpunt dat hij overtreder is omdat hij geacht werd de woning te bewonen, nu hij eigenaar is en in de GBA op dat adres is ingeschreven. Het is derhalve niet aan de hand van de beheerovereenkomst, zoals deze blijkt uit de contracten van 23 juli 2007 en 8 november 2007, nagegaan of de tussenkomst van Expolease aanleiding gaf om op dat standpunt terug te komen. Gelet hierop wordt de rechtbank niet gevolgd in de overweging dat [appellant] hoewel hij de woning in beheer had gegeven aan Expolease de eindverantwoordelijkheid is blijven dragen voor wat er in zijn woning plaatsvond. Het besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat het hoger beroep gegrond is.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang niet te zijnen laste had mogen brengen, slaagt derhalve ook. Uitgangspunt is dat de kosten van bestuursdwang voor rekening mogen worden gebracht van de overtreder. Nu het dagelijks bestuur, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [appellant] als overtreder moet worden aangemerkt, heeft het de kosten, verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, om die reden niet op [appellant] mogen verhalen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 maart 2009 van het dagelijks bestuur alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.6. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2009 in zaak nr. 09/1176;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit op bezwaar van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van 3 maart 2009, kenmerk 08/2587;

V. veroordeelt het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010

163-669.