Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
201000311/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2008 heeft het college [belanghebbende] vrijstelling en bij besluit van 15 juli 2008 bouwvergunning geweigerd voor de bouw van een rietloods op het perceel aan de [locatie 1] te [plaats] (hierna het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000311/1/H1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 27 november 2009 in zaak nr. 08/2175 in het geding tussen:

[belanghebbende] gevestigd te [plaats],

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2008 heeft het college [belanghebbende] vrijstelling en bij besluit van 15 juli 2008 bouwvergunning geweigerd voor de bouw van een rietloods op het perceel aan de [locatie 1] te [plaats] (hierna het perceel).

Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 januari 2009 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het gestelde in die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 maart 2010 heeft het college het door [belanghebbende] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[belanghebbende] heeft bij brief van 12 mei 2010 tegen dat besluit beroep ingesteld.

Het college en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. van Keeken, A.P. van der Wal en P. Kleine, allen werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A.C. Winter, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan heeft betrekking op de bouw van een rietloods op het perceel van ongeveer 910 m².

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Belt-Schutsloot" rust op het gedeelte van het perceel waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Agrarisch productiegebied".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge het tweede lid, mogen op de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd met een hoogte van maximaal 2,25 m, die blijkens aard en indeling rechtstreeks ten dienste staan van het agrarische bedrijf.

Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, nu op het gedeelte van het perceel waar het bouwplan is voorzien geen gebouw mag worden gebouwd.

2.3. Naar aanleiding van een verzoek van [belanghebbende] om de planologische mogelijkheden te onderzoeken voor het bouwen van een rietloods op het perceel, heeft het college op 5 juli 2006 een ontwerp van het bestemmingsplan "Belt-Schutsloot - partiële herziening [locatie 1] " ter inzage gelegd waarin de beoogde rietloods een positieve bestemming heeft gekregen. Bij besluit van 7 maart 2007 heeft de gemeenteraad evenwel geweigerd het ontwerpbestemmingsplan vast te stellen. De gemeenteraad heeft daarbij een motie aangenomen waarin het zich op het standpunt heeft gesteld dat het aanzicht van het dorp zich niet verdraagt met in de woonbebouwing te realiseren grootschalige rietloodsen. Voorts heeft de gemeenteraad het college opgedragen om nader onderzoek te doen naar de behoefte aan rietloodsen en mogelijke locaties, specifiek voor de overdekte opslag en verwerking van riet en daarover binnen twee maanden nader rapport uit te brengen. Het college heeft vervolgens onder verwijzing naar de beleidsuitspraak van de gemeenteraad en de weigering van de gemeenteraad om het ontwerpbestemmingsplan vast te stellen, de gevraagde vrijstelling geweigerd.

2.4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren wegens strijd met het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Volgens de rechtbank grenst het perceel wel aan gronden waarop een woonbestemming rust, maar valt het perceel zelf buiten die bestemming, zodat de beleidsuitspraak van de gemeenteraad feitelijk niet van toepassing is op het bouwplan. Voorts overweegt de rechtbank dat het college het besluit van 14 januari 2009 niet zorgvuldig heeft voorbereid, omdat het college de motie van de gemeenteraad niet heeft uitgevoerd om nader onderzoek te doen naar de behoefte aan rietloodsen en mogelijke locaties daarvoor.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het de gevraagde vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het college voert daartoe aan dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. Volgens het college kan de beleidsuitspraak van de gemeenteraad niet anders worden begrepen dan dat de gemeenteraad een rietloods op de aangevraagde locatie binnen de woonbebouwing vindt vallen.

2.5.1. Dit betoog slaagt. Op een in het geding gebrachte luchtfoto is te zien dat de beoogde bouwlocatie aan de noord, noordwest en west zijde is omgeven door woonbebouwing. Het college heeft daarom terecht uit de motie van de gemeenteraad afgeleid dat de gemeenteraad het aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde beleid niet wenst te wijzigen, omdat het aanzicht van het dorp zich niet verdraagt met de bouw van een rietloods op de beoogde locatie. Gelet daarop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. Dat de bouw van rietloodsen in het buitengebied niet in strijd is met het beleid als neergelegd in de notitie "Uitgangspuntennotitie, Herziening verouderde bestemmingsplannen buitengebied gemeente Steenwijkerland", leidt niet tot een ander oordeel, omdat de beoogde bouwlocatie zich niet in het buitengebied bevindt.

Voorts leidt de omstandigheid dat het college geen uitvoering heeft gegeven aan de motie van de gemeenteraad om nader onderzoek te doen naar de behoefte aan rietloodsen en mogelijke locaties, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet tot de conclusie dat het college het besluit op bezwaar onzorgvuldig heeft voorbereid. De gemeenteraad heeft deze motie aanvaard mede gelet op zijn weigering het ontwerpbestemmingsplan vast te stellen, maar deze motie staat los van de door het college te nemen besluit omtrent de gevraagde vrijstelling.

Het vorenstaande in aanmerking genomen bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de gevraagde vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.6. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.7. [belanghebbende] heeft betoogd dat het college, door de gevraagde vrijstelling te weigeren, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. [belanghebbende] voert daartoe aan dat het college in een vergelijkbaar geval als het onderhavige, vrijstelling heeft verleend voor het bouwen van een rietloods op het perceel aan de [locatie 2].

2.7.1. Het betoog faalt. De door [belanghebbende] bedoelde situatie komt niet zodanig overeen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan het bouwplan, reeds omdat de rietloods op het perceel aan de [locatie 2] is gelegen in het buitengebied.

2.8. [belanghebbende] heeft voorts betoogd dat het college, door de gevraagde vrijstelling te weigeren, heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. [belanghebbende] voert daartoe aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2003 in zaak nr. 200302024/1, dat aan het bedrijf geen redelijke uitbreidingsmogelijkheden worden geboden, ondanks dat het bedrijf in het bestemmingsplan een positieve bestemming heeft gekregen.

2.8.1. Dit betoog faalt evenzeer. In de door [belanghebbende] genoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat bij het toekennen van een positieve bestemming aan een bedrijf in het bestemmingsplan in beginsel ook redelijke uitbreidingsmogelijkheden moeten worden geboden. In dit geval is evenwel niet de toekenning van een positieve bestemming in een bestemmingsplan aan de orde, maar de beslissing omtrent een concreet verzoek om vrijstelling. In het door [belanghebbende] aangevoerde kan derhalve geen grond zijn gelegen dat het college heeft gehandeld in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank door [belanghebbende] ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.10. Het college heeft, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, bij besluit van 31 maart 2010, opnieuw op het bezwaar van [belanghebbende] beslist. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

2.11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de Afdeling slechts tot het oordeel komen dat aan dat besluit, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 27 november 2009 in zaak nr. 08/2175;

III. verklaart het bij de rechtbank door [belanghebbende] ingestelde beroep ongegrond.

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 31 maart 2010, kenmerk 1009-84-REO-jvk.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010

414-543.