Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
201004742/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het bestuur een aanvraag van [appellant] om een toevoeging van 9 oktober 2008 voor het indienen van een verzoek tot het afzien van de tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde gevangenisstraf afgewezen. Bij besluit van 5 december 2008 heeft het bestuur een aanvraag van [appellant] om een toevoeging van 3 oktober 2008 voor het indienen van een gratieverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004742/1/H2.

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2010 in zaak nr. 09/3396 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand Utrecht, hierna: het bestuur).

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het bestuur een aanvraag van [appellant] om een toevoeging van 9 oktober 2008 voor het indienen van een verzoek tot het afzien van de tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde gevangenisstraf afgewezen. Bij besluit van 5 december 2008 heeft het bestuur een aanvraag van [appellant] om een toevoeging van 3 oktober 2008 voor het indienen van een gratieverzoek afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het bestuur de hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2010, verzonden op 13 april 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 2 september 2010 zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2010, waar het bestuur, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij het bestuur, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het volgende recht: zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

2.2. Het bestuur voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb het beleid neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007 (hierna: het Handboek). Volgens aantekening 36 bij artikel 12 van de Wrb in het Handboek wordt op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb, voor zover hier van belang, als beleidsregel gehanteerd dat geen rechtsbijstand op basis van een toevoeging wordt verleend indien deze uitsluitend wordt aangevraagd voor het indienen van een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis of een verzoek om strafonderbreking danwel voor de indiening van een gratieverzoek, tenzij sprake is van juridische complexiteit van het verzoek.

2.3. Het bestuur heeft bij besluiten van 2 december 2008 en 5 december 2008, gehandhaafd bij besluit van 3 juni 2009, de aanvragen van 9 oktober 2008 onderscheidenlijk 3 oktober 2008 afgewezen, omdat in beide aanvragen de gevraagde rechtsbijstand een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten.

2.4. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond, verklaard, omdat het indienen van een verzoek tot het afzien van de tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde gevangenisstraf en het indienen van een gratieverzoek niet als juridisch complex zijn aan te merken. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat voor het indienen van deze verzoeken de hulp van een advocaat niet is vereist zodat het indienen van deze verzoeken aan [appellant] zelf kon worden overgelaten, zonodig met bijstand van een ander. Daarnaast is de omstandigheid dat [appellant] dak- en thuisloos is niet relevant voor de vraag of hij in aanmerking komt voor rechtsbijstand. Het bestuur mocht derhalve de gevraagde toevoegingen weigeren, aldus de rechtbank.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de vraag of [appellant] in aanmerking komt voor een toevoeging het niet relevant is of de rechtzoekende verslaafd, dak- en thuisloos is. [appellant] voert daartoe aan, dat hij op grond van artikel 6, derde lid, van het EVRM recht heeft op kosteloze bijstand door een toegevoegde advocaat nu hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen.

2.5.1. Het betoog faalt. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder meer het arrest van 15 juli 1982, in de zaak Eckle tegen Duitsland, nr. 8130/78 en het arrest van 31 maart 1998, in de zaak Reinhardt en Slimane-Kaïd tegen Frankrijk, nrs. 23043/93, en 22921/93, (www.echr.coe.int), blijkt dat het begrip 'vervolging' in de zin van artikel 6 van het EVRM de officiële mededeling van de autoriteit aan een individu is dat hij wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit of het nemen van maatregelen waaruit impliciet blijkt dat op betrokkene een dergelijke verdenking rust en waardoor hij substantieel in zijn situatie is getroffen. In het onderhavige geval is niet langer sprake van een verdenking, maar van de tenuitvoerlegging van een reeds aan [appellant] opgelegde straf. Er is derhalve geen sprake van een vervolging in de zin van artikel 6, derde lid, van het EVRM, zodat [appellant] aan deze bepaling niet het recht op een toevoeging kan ontlenen.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hulp van een advocaat niet is vereist. [appellant] voert daartoe aan, dat hij te laat kwam voor de zitting inzake de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde voorwaardelijke gevangenissstraf en dat hij vervolgens door de politierechter en de officier van justitie is doorverwezen naar een advocaat. Voor de procedure betreffende de vordering tot tenuitvoerlegging dient in ieder geval een toevoeging te worden verstrekt, aldus [appellant].

2.6.1. De rechtbank heeft het in aantekening 36 bij artikel 12 van de Wrb in het handboek bepaalde terecht geen grond gezien om dit beleid onredelijk te achten.

In geschil is derhalve of het gratieverzoek en het verzoek tot het afzien van de tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde straf als juridisch complex zijn aan te merken. Vaststaat dat deze verzoekschriften het enkele verzoek inhouden om de aan [appellant] opgelegde straf kwijt te schelden respectievelijk niet over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde straf. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het opstellen en indienen van dergelijke verzoeken niet dermate complex dat daarvoor juridische bijstand nodig is. De omstandigheid dat [appellant] is doorverwezen naar een advocaat maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat het indienen van deze verzoeken is voorbehouden aan een advocaat. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden overwogen dat het bestuur de gevraagde toevoegingen mocht weigeren op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb. Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt tenslotte dat het bestuur vanwege een wetswijziging en een daarmee samenhangende beleidswijziging aan hem een zogenaamde Lichte Advies Toevoeging had moeten verlenen.

2.7.1. Dit betoog faalt. De wetswijziging en de beleidswijziging waarop [appellant] zich beroept dateren van 1 juli 2009 en zijn derhalve omstandigheden van na het besluit op bezwaar. Het bestuur heeft de aanvragen terecht getoetst aan het recht zoals dat ten tijde van het besluit op bezwaar gold.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010

362-680.