Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
201008144/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college [verzoekers] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de antenne-installatie aan de achterzijde van hun woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008144/2/H1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 9 augustus 2010 in zaken nrs. 10/2631 en 10/2630 in het geding tussen:

[verzoekers]

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college [verzoekers] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de antenne-installatie aan de achterzijde van hun woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 augustus 2010, verzonden op 10 augustus 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 september 2010, waar [verzoeker A], bijgestaan door mr. W. Kattouw, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Karman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan dit recht, daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Ingevolge artikel 12 van de Woningwet mag het uiterlijk van een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid en onder b, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 13a kunnen burgemeester en wethouders, indien niet wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, degene die als eigenaar van een bouwwerk of uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen daaraan, verplichten tot het binnen een door hen te bepalen termijn treffen van zodanige door hen daarbij aan te geven voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid.

2.3. [verzoekers] hebben een antenne op het achterdak van de woning op het perceel geplaatst, waarvan [verzoeker A] hobbymatig gebruik maakt. Dit achterdak is vanaf de openbare weg zichtbaar. De hoogte van de antenne bedraagt, gemeten vanaf de voet van de antennedrager, ongeveer 4 m. De antenne heeft een horizontale ligger met daarop een vijftal dwars geplaatste sprieten, die een lengte hebben van 5 tot 6 m. De antennedrager is met tuidraden verankerd aan het dak. Niet in geschil is dat de antenne een bouwvergunningvrij bouwwerk is.

Het college heeft aan de last onder dwangsom tot verwijdering ten grondslag gelegd dat de antenne-installatie in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand en heeft zich daarbij gebaseerd op de adviezen van de welstandscommissie Overbetuwe (hierna: de welstandscommissie) van 17 juni 2009 en 9 september 2009.

2.4. [verzoekers] betogen met name dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het EVRM een beperking van de in het eerste lid gewaarborgde rechten gerechtvaardigd heeft kunnen achten. Daartoe voeren zij aan dat een antenne-installatie met een omvang zoals zij hebben geplaatst benodigd is voor het zenden en ontvangen van radiosignalen op de frequenties die aan [verzoeker A] bij licentie zijn toegestaan.

2.4.1. Niet in geschil is dat het handhavend optreden tegen het plaatsen van de antenne-installatie op grond van de Woningwet een inmenging in het door artikel 10, eerste lid, van het EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting oplevert. Een inmenging in het recht als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het EVRM moet in overeenstemming zijn met de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van een van de in het tweede lid neergelegde doelen.

De vraag of het college met oplegging van de last terwijl niet is gebleken dat [verzoeker A] conform de hem verleende licentie op andere wijze dan met behulp van de onderhavige antenne-installatie radioberichten kan zenden en ontvangen, op grond van het welstandsbelang overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het EVRM een beperking van de in het eerste lid gewaarborgde rechten gerechtvaardigd heeft kunnen achten, leent zich niet voor beantwoording in de onderhavige procedure.

2.5. Na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter daarom aanleiding voor het treffen van de hierna te melden voorlopige voorziening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er bij toewijzing van het verzoek geen belangen onevenredig worden geschaad, terwijl afwijzing het gevolg zou hebben dat [verzoekers] door aan de last te voldoen de antenne-installatie reeds vóór de uitspraak in de bodemzaak dienen te verwijderen zonder dat vaststaat dat de handhaving rechtens juist moet worden geacht.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe van 23 juni 2010, kenmerk 10uit12677, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe van 2 maart 2010, kenmerk 10uit04197;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010

499.