Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
201001255/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister), in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het Tracébesluit "Zandmaas/Maasroute - aanvulling III" (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.7
Wet milieubeheer 7.23
Wet milieubeheer 7.37
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:3
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/139 met annotatie van Poortinga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001255/1/M2.

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, thans de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister), in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het Tracébesluit "Zandmaas/Maasroute - aanvulling III" (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2010, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend, deze zijn aan partijen toegezonden.

De minister heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2010, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.W.M. Pennings, advocaat te Beek, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. de Hoop, mr. C.A.J. Op de Beke, drs. C.E. Kleijn en ir. A.C.L. Hijdra, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Algemeen

2.1. Het Tracébesluit voorziet in een verbreding van de bocht bij Elsoo van het Julianakanaal, tussen kanaalkilometer 2.9 en kanaalkilometer 12.0, en de aanleg van twee passeervakken. Deze verbreding maakt deel uit van het deelproject Maasroute van de Maaswerken, en is een aanvulling op het Tracébesluit Zandmaas/Maasroute. Het doel van het deelproject Maasroute is het realiseren van een vaarweg geschikt voor tweebaksduwvaart, de zogenoemde klasse Vb, met een diepgang van 3,5 m.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Tracéwet gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerp van het Tracébesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht door een ieder.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van deze wet naar voren te hebben gebracht.

2.2.1. Het ontwerp van het Tracébesluit is volgens de kennisgeving met ingang van 21 april 2008 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd.

2.2.2. [appellant sub 2] heeft geen zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpbesluit.

2.2.3. Het feit dat [appellant sub 2] wel een zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het aanvullend milieu-effectrapport (hierna: milieu-effectrapport), laat onverlet dat hij op grond van artikel 12, derde lid, van de Tracéwet in samenhang bezien met 6:13 van de Awb zienswijzen over het ontwerp van het Tracébesluit naar voren had dienen te brengen om in dit beroep te kunnen worden ontvangen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 2] redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren te hebben gebracht.

Het beroep van [appellant sub 2] is gelet hierop niet-ontvankelijk.

Alternatieven

2.3. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 1] aldus dat hij van mening is dat de minister ten onrechte heeft gekozen voor de in het Tracébesluit neergelegde tracévariant. Hij voert daartoe aan dat gehele verbreding van het kanaal van Limmel naar Elsloo als variant onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken.

2.3.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de in het Tracébesluit voorgestane verbreding van het Julianakanaal tussen kanaalkilometer 2.9 en 12.0 de voorkeur verdient. Het betreft het zogenoemde verkeersmanagement-alternatief. Daartoe brengt hij naar voren dat het Julianakanaal als vaarweg door een zeer beperkt aantal klasse Vb schepen zal worden gebruikt. In het milieu-effectrapport wordt op blz. 34 weergegeven dat in een ‘worst case’-scenario in 2020 dagelijks gemiddeld 52 schepen over het kanaal zullen varen waaronder 2 schepen in klasse Vb. Voor 2040 worden gemiddeld 55 passages per dag verwacht waarvan 6 in de klasse Vb. Deze geringe aantallen geven de mogelijkheid voor een oplossing met passeervakken, waarbij de impact op de omgeving, waaronder enkele aangrenzende natuurgebieden, en de kosten van de aanleg van dit alternatief relatief beperkt zijn.

De minister wijst erop dat ook alternatieven zijn onderzocht, waaronder een gehele verbreding van het kanaal van Limmel tot Elsloo. Een complicatie bij een verbreding van het desbetreffende deel van het Julianakanaal over de volle lengte is, los van de hoge kosten, dat de verbreding niet kan plaatsvinden tot een breedte die nodig is. Daarnaast heeft dit alternatief negatieve effecten op de aangrenzende natuurgebieden tot gevolg, omdat de benodigde damwanden - doordat deze diep in de bodem steken - een forse invloed hebben op de grondwaterstromen- en standen.

Gezien het voorgaande heeft de minister na het in ogenschouw nemen van alternatieven en bij afweging van de belangen besloten tot het uitvoeren van het verkeersmanagement-alternatief.

2.3.2. Het feit dat [appellant sub 1] een ander afweging van belangen voorstaat, geeft geen reden voor het oordeel dar de afweging van de minister om te kiezen voor dit alternatief zodanig onevenwichtig is dat de minister niet in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.

De beroepsgrond faalt.

Veiligheid

2.4. [appellant sub 1] voert aan dat de minister bij het nemen van het Tracébesluit onvoldoende heeft onderkend dat het toelaten van klasse Vb schepen gevolgen heeft voor de veiligheid van schepen van een kleinere klasse.

2.4.1. De minister heeft met behulp van scheepssimulatoren ervaringen opgedaan met het gedrag van Vb-schepen op het Julianakanaal. Om een passage van Vb-schepen en kleinere vaartuigen veilig te laten verlopen, hanteert de minister het uitgangspunt dat de schepen hun vaarsnelheid tijdens de ontmoeting verminderen maar niet afstoppen. Deze varende ontmoeting is van belang om de vlotte afwikkeling van passages te kunnen garanderen. De overgang van het onverbrede kanaal naar het passeervak bedraagt ongeveer 120 meter. Dit betekent dat het passeervak over een lengte van 760 meter een breedte heeft van 60 meter op het ongeladen kielvlak. Voor de afmetingen van deze passeervakken is de minister uitgegaan van een rechte vaarweg met een normaal dwarsprofiel. Dat wil zeggen een profiel met taluds en geen loodrechte damwanden. In de bocht bij Elsloo wordt een verbreding gerealiseerd tot 55 meter op het ongeladen kielvlak met damwanden.

2.4.2. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het Tracébesluit gehanteerde uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de randvoorwaarden om een veilige verkeersafwikkeling mogelijk te maken onjuist zijn. In hetgeen [appellant sub 1] aanvoert, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit het oogpunt van de verkeersveiligheid in zoverre geen onaanvaardbare situatie ontstaat.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Voor zover het beroep van [appellant sub 1] zich, onder verwijzing naar de tweede Marin-studie, richt op de wijze waarop de beheerder van de vaarweg invulling zal gegeven aan het verkeersmanagement door het stellen van voorwaarden aan het vaargedrag en het toelatingssysteem van schepen op de vaarweg van Elsloo tot Limmel, overweegt de Afdeling dat de Tracéwet niet voorziet in een dergelijke bevoegdheid van de minister.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.6. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010

375-632.