Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO0202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
201005750/1/R2 en 201005750/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Eerste wijziging van het bestemmingsplan West 2007" vastgesteld (hierna: de herziening).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/1247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005750/1/R2 en 201005750/2/R2.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Renswoude,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Eerste wijziging van het bestemmingsplan West 2007" vastgesteld (hierna: de herziening).

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2010, hebben [appellant] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 september 2010, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J. van Essen, werkzaam bij de gemeente, en mr. F.M.G.M. Leyendekkers, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het onderhavige plan is een herziening van een aantal voorschriften van het bestemmingsplan "West 2007" van de gemeente Renswoude. Met de herziening wordt onder meer beoogd de aanleg van een parkeerterrein mogelijk te maken aan de achterzijde van het perceel Molenstraat 8 ten behoeve van het op dat perceel te realiseren appartementencomplex. Daartoe is in de onderhavige herziening aan de in artikel 4 ("Bedrijven"), eerste lid, van de planregels opgenomen doeleindenomschrijving onderdeel f toegevoegd en wel als volgt:

f. parkeervoorzieningen mede ten behoeve van de bestemming "Wonen".

2.3. Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat de verwijzing naar de inspraakverordening in de mededeling dat het ontwerpplan ter inzage is gelegd, verwarrend is, wordt overwogen dat in deze mededeling duidelijk is aangegeven dat zienswijzen tegen het ontwerpplan kunnen worden ingediend. Nu [appellant] en anderen tijdig zienswijzen hebben ingediend, blijkt daar uit dat voor hen de mededeling voldoende duidelijk was. De voorzitter acht niet aannemelijk dat voor anderen deze mededeling niet voldoende duidelijk was. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] en anderen voeren verder aan dat ten onrechte geen vooroverleg heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

2.4.1. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro, voor zover thans van belang, pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Blijkens de artikelsgewijze toelichting uit de nota van toelichting bij het Bro (nota van toelichting, blz. 28 en 29; Stb. 2008, 145) dient het overleg in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Volgens de toelichting zal kunnen worden volstaan met een simpel overleg of zal wellicht zelfs geen overleg behoeven plaats te vinden indien het gaat om een bestemmingsplanherziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, waarbij niet of in geringe mate herschikking van de betrokken belangen aan de orde is.

2.4.2. [appellant] en anderen merken terecht op dat met de toevoeging van onderdeel f aan artikel 4 van de planregels de doeleindenomschrijving van alle plandelen met de bestemming "Bedrijven" is gewijzigd. De raad heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit, gelet op het bestemmingsplan "West 2007", geringe ruimtelijke gevolgen heeft. Hierbij heeft de raad kunnen betrekken dat op deze gronden al mag worden geparkeerd ten behoeve van de bedrijfsbestemming, er slechts enkele percelen met een woonbestemming zijn in het plangebied van het bestemmingsplan "West 2007" en bovendien slechts met toestemming van de eigenaren van de bedrijfsgronden ter plaatse kan worden geparkeerd, aangezien het geen openbare gronden zijn. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het gaat om een herziening van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, waarbij in geringe mate herschikking van de betrokken belangen aan de orde is. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro.

2.5. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat ten onrechte geen plaatsing van het vaststellingsbesluit in de Staatscourant heeft plaatsgevonden en het vaststellingsbesluit ten onrechte niet aan [appellant] en anderen is toegestuurd. Dit betoog, wat daar ook van zij, richt zich tegen een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten.

2.6. [appellant] en anderen richten zich verder tegen de vaststelling van artikel 4, eerste lid en onder f, van de planregels. Zij zijn van mening dat de herziening van de planregels in zoverre tot een onaanvaardbare functiemenging leidt. Volgens hen had aan het gehele perceel Molenstraat 8 een woonbestemming moeten worden toegekend en is ten onrechte de bedrijfsbestemming aan de achterzijde van het perceel gehandhaafd. Zij vrezen dat na realisatie van het appartementencomplex op het perceel, de parkeerplaats weer in gebruik zal worden genomen ten behoeve van de bedrijfsbestemming, waardoor de parkeerdruk in de Molenstraat alsnog onaanvaardbaar toeneemt.

2.7. Aan het perceel Molenstraat 8 is in het bestemmingsplan "West 2007" de bestemming "Wonen" met de aanduiding "gestapelde bouw" toegekend. Aan de achterzijde van dit perceel is de bestemming "Bedrijven" toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "West 2007" zijn de op de plankaart als "Bedrijven" aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen.

2.8. De voorzitter benadrukt dat in deze procedure de aanvaardbaarheid van het bouwplan voor Molenstraat 8 en de vraag of voor dat bouwplan ter plaatse in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien niet ter beoordeling voorligt. De Wet ruimtelijke ordening verzet zich er niet tegen dat in de doeleindenomschrijving van een bedrijfsbestemming parkeren ten behoeve van een woonfunctie mogelijk wordt gemaakt. Gelet op het bestemmingsplan "West 2007" en onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 2.4.2., ziet de voorzitter in hetgeen door [appellant] en anderen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat parkeren op een bedrijfsperceel ten behoeve van een woonfunctie aanvaardbaar is. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat niet is gebleken dat na realisatie van het parkeerterrein aan de achterzijde van Molenstraat 8 onvoldoende parkeerplaatsen overblijven voor de in het plangebied aanwezige bedrijven. Voorts acht de voorzitter ook het standpunt van de raad dat een woonbestemming aan de achterzijde van het perceel Molenstraat 8 niet wenselijk is, omdat daarmee de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen wordt uitgebreid, niet onredelijk.

2.9. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

432.