Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
201000301/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ranov / ontvankelijkheid bezwaar / verschoonbare termijn overschrijding

Nu de staatssecretaris zich vanaf de totstandkoming van de Regeling op het standpunt heeft gesteld dat tegen de ambtshalve weigering een aanbod te doen op grond van de Regeling geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie onder meer Kamerstukken II 2006/07, 31 018, nr. 3, blz. 35 en 39) en daarin in individuele zaken heeft volhard tot 3 december 2008, de vreemdeling voorts heeft verklaard dat hij eerst na kennisneming van die uitspraak wist dat hij bezwaar kon maken en hij binnen vier weken na die uitspraak bezwaar heeft gemaakt tegen de aan hem verzonden minuut, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte heeft ontvangen in het door hem gemaakte bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 69
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000301/1/V1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 11 december 2009 in zaken nrs. 09/35087 en 09/35090 in de gedingen tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2009 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste en enige grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris hem ten onrechte heeft ontvangen in het door hem gemaakte bezwaar, omdat hij de bezwaartermijn van vier weken heeft overschreden en geen gronden heeft aangevoerd waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Hiertoe betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris het door hem gemaakte bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht, omdat hij binnen vier weken na de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2008 in zaak nr. 200803104/1 (www.raadvanstate.nl) bezwaar heeft gemaakt. Hierbij verwijst hij naar artikel II, eerste lid, aanhef en onder d, van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2008/31.

2.2. In voormelde uitspraak van 3 december 2008 heeft de Afdeling overwogen dat het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling dient te worden aangemerkt als een handeling ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Met het oog op het aanvangen van de in artikel 69, eerste lid, van die wet neergelegde termijn van vier weken voor het aanwenden van rechtsmiddelen dient op ondubbelzinnige wijze uit een specifiek ten aanzien van de desbetreffende vreemdeling als zodanig kenbare handeling van de staatssecretaris te kunnen worden afgeleid dat aan die vreemdeling een dergelijk aanbod niet wordt gedaan.

2.3. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de vreemdeling, door bij brief van 15 december 2008 onder verwijzing naar de hem bij brief van 22 januari 2008 toegezonden minuut bezwaar te maken tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling, niet binnen de in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van vier weken bezwaar heeft gemaakt. De vreemdeling heeft het bezwaarschrift derhalve niet tijdig ingediend.

2.4. Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.5. Nu de staatssecretaris zich vanaf de totstandkoming van de Regeling op het standpunt heeft gesteld dat tegen de ambtshalve weigering een aanbod te doen op grond van de Regeling geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie onder meer Kamerstukken II 2006/07, 31 018, nr. 3, blz. 35 en 39) en daarin in individuele zaken heeft volhard tot 3 december 2008, de vreemdeling voorts heeft verklaard dat hij eerst na kennisneming van die uitspraak wist dat hij bezwaar kon maken en hij binnen vier weken na die uitspraak bezwaar heeft gemaakt tegen de aan hem verzonden minuut, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte heeft ontvangen in het door hem gemaakte bezwaar.

De grief slaagt.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.7. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

2.8. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door de vreemdeling in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 11 december 2009 in zaak nr. 09/35087;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van der Vlis

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2010

382-610.

Verzonden: 5 oktober 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser