Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
200902318/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Iran / tot het christendom bekeerde voormalige moslims / van bekeerlingen met actieve bekeringsdrang mag terughoudendheid worden betracht

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in de informatie die is weergegeven in de hiervoor onder 2.2.5. vermelde, van na het WBV 2007/15 daterende, ambtsberichten terecht geen aanleiding gezien voor aanpassing van dit WBV. Die informatie biedt evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte geen nader onderscheid heeft gemaakt tussen tot het christendom bekeerde voormalige moslims die tevens moslims trachten te bekeren tot het christendom en zij die dat niet doen. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat voormelde terughoudendheid bij het verrichten van bekeringsactiviteiten van hem niet kan worden verwacht. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de vreemdeling als in Nederland tot het christendom bekeerde moslim bij terugkeer naar Iran problemen kan ondervinden die verband houden met zijn afvalligheid van de islam dan wel zijn bekeringsactiviteiten en in het wetsvoorstel dan ook ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het besluit van 28 januari 2008 wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/447 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902318/1/V2.

Datum uitspraak: 4 oktober 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, (hierna: de rechtbank) van 5 maart 2009 in zaak nr. 08/4074 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2008 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 april 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2010, waar de minister van Justitie (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. J.J. Eizenga, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het hoger beroep zijn de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, nu uit het algemeen ambtsbericht inzake Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2007, zoals geactualiseerd op 12 februari 2008, blijkt dat tot het christendom bekeerde voormalige moslims bij terugkeer naar Iran problemen kunnen ondervinden die verband houden met hun afvalligheid van de islam dan wel met hun bekeringsactiviteiten en er aanwijzingen zijn dat evangeliserende kerken, zoals de Assemblies of God, waartoe de vreemdeling behoort, in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten, onvoldoende heeft gemotiveerd dat het beroep van de vreemdeling op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet kan slagen. Daartoe voert hij aan dat het thans geldende beleid, dat is neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire nr. 2007/15 (Strct. 27 juli 2007, nr. 143, p. 8; hierna: het WBV 2007/15), op voormelde ambtsberichten is gebaseerd en nog immer actueel is. Daarbij geldt dat de in die ambtsberichten weergegeven informatie aldus moet worden begrepen dat enkel het aannemelijk maken van de nieuwe geloofsovertuiging onvoldoende is voor statusverlening. De rechtbank heeft niet onderkend dat de hiervoor vermelde omstandigheden en de omstandigheid dat de Iraanse president het wetsvoorstel van 23 december 2007 tot wijziging van het Iraanse Wetboek van Strafrecht (hierna: het wetsvoorstel), in die zin dat afvalligen van de islam met de doodstraf worden bestraft, ter goedkeuring aan het Iraanse parlement heeft voorgelegd, zijn betrokken bij de totstandkoming van het WBV 2007/15, aldus de staatssecretaris.

2.2.1. De vreemdeling heeft tijdens het op 10 oktober 2006 gehouden aanvullend gehoor de verklaringen die hij heeft afgelegd met betrekking tot de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde gestelde vrees voor vervolging wegens overspel ingetrokken, omdat deze - naar zijn eigen zeggen - niet op waarheid berustten. Dat betekent dat hij uitsluitend nog aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij in Nederland tot het christendom is bekeerd.

2.2.2. Gelet op de in voormelde ambtsberichten weergegeven informatie heeft de staatssecretaris terecht geen aanleiding gezien Iraanse christenen aan te wijzen als groep van wie de enkele bekering tot het christendom voldoende is voor statusverlening. In die ambtsberichten is vermeld dat moslims in theorie interesse kunnen tonen in het christendom, christelijke kerken kunnen bezoeken en bijbelonderricht kunnen krijgen en dat van enige bijzondere aandacht van de Iraanse autoriteiten voor christenen en tot het christendom bekeerde voormalige moslims onder de terugkerende Iraniërs niets bekend is. Dat uit die informatie ook blijkt dat christenen in Iran problemen kunnen ondervinden ten aanzien van de uitoefening van het christelijk geloof, rechtvaardigt niet reeds de conclusie dat zij enkel vanwege het feit dat zij christen zijn bij terugkeer naar Iran een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

2.2.3. In het WBV 2007/15 zijn, voor zover thans van belang, Iraanse vreemdelingen die in Nederland tot het christendom zijn bekeerd, aangewezen als specifieke groep van personen, ten aanzien van wie paragraaf C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 van toepassing is. Zij kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij in Nederland bekeerd zijn en vóór hun vertrek uit Iran al om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging problemen hebben ondervonden, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen. Daarbij wordt in het WBV 2007/15 geen onderscheid gemaakt tussen tot het christendom bekeerde voormalige moslims die tevens moslims trachten te bekeren tot het christendom en zij die dat niet doen.

2.2.4. In deze zaak en in de tegelijkertijd ter zitting bij de Afdeling behandelde zaak nr. 200910124/1/V2 heeft de minister toegelicht dat reeds in het algemeen ambtsbericht inzake Iran van maart 1998 aandacht is besteed aan de positie van bekeerlingen en de problemen die zij bij terugkeer naar Iran kunnen ondervinden bij het verrichten van bekeringsactiviteiten. Onder verwijzing naar brieven aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 25 juni 1999 (Kamerstukken II 1998/99, 19 637, nr. 447), van 6 oktober 1999 (Kamerstukken II 1999/00, 19 637 en 26 646, nr. 481), van 12 januari 2000 (Kamerstukken II 1999/00, 19 637, nr. 492), van 28 februari 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 19 637, nr. 1021) en van 3 juli 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 19 637, nr. 1164), heeft hij voorts uiteengezet dat ook in de daaropvolgende jaren is onderkend dat in Iran de positie van tot het christendom bekeerde moslims verschilt al naar gelang zij bekeringsactiviteiten verrichten en dat zij in Iran problemen kunnen ondervinden, indien zij moslims trachten te bekeren tot het christendom. Dit is echter nimmer aanleiding geweest om over te gaan tot het formuleren van specifiek beleid voor in Nederland tot het christendom bekeerde moslims die in Iran bekeringsactiviteiten wensen te verrichten. Dit aspect is ook bij de totstandkoming van het in het WBV 2007/15 neergelegde beleid betrokken, aldus de minister.

2.2.5. De beleidsconclusies in het hiervoor onder 2.2.3. weergegeven beleid zijn, zoals in punt 1 van het WBV 2007/15 is vermeld, mede gebaseerd op het ambtsbericht van juni 2007. Uit dat ambtsbericht, zoals geactualiseerd op 12 februari 2008, blijkt dat bekeringsactiviteiten in Iran verboden zijn en dat repressie, intimidatie en arrestaties van christenen kunnen plaatsvinden, vooral als sprake is van een actieve bekering van moslims. In de Iraanse strafwetgeving zijn echter geen strafbepalingen opgenomen met betrekking tot afvalligheid van de islam dan wel het verrichten van bekeringsactiviteiten. Dit wordt bevestigd in het algemeen ambtsbericht van 22 juli 2008, waarbij voorts is vermeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de houding van de autoriteiten zich jegens - bekeerde - christenen in de verslagperiode heeft gewijzigd. In deze ambtsberichten is verder vermeld dat niet bekend is of in de verslagperiode geweld is gebruikt tegen christenen dan wel tegen tot het christendom bekeerde voormalige moslims. In het ambtsbericht is tevens melding gemaakt van de omstandigheid dat de Iraanse president het wetsvoorstel, waardoor terdoodveroordeling voor afvalligheid mogelijk wordt, ter goedkeuring aan het Iraanse parlement heeft voorgelegd. Dienaangaande heeft de staatssecretaris zich in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 19 637, nr. 1231) op het standpunt gesteld dat hij deze omstandigheid bij de beleidsvorming heeft betrokken, doch dat hij het niet aangewezen acht om vooruit te lopen op onzekere gebeurtenissen.

2.2.6. Uit de hiervoor onder 2.2.4. genoemde stukken blijkt dat bij de vaststelling van het te voeren asielbeleid al sinds lange tijd aandacht wordt besteed aan de positie van in Nederland tot het christendom bekeerde moslims die terugkeren naar Iran. In dit kader wordt mede onder ogen gezien of het aangewezen is om onderscheid te maken tussen tot het christendom bekeerde voormalige moslims die tevens moslims trachten te bekeren tot het christendom en zij die dat niet doen. De in voormelde ambtsberichten weergegeven informatie, die in essentie niet afwijkt van informatie uit andere openbare bronnen, geeft er blijk van dat tot het christendom bekeerde moslims bij terugkeer naar Iran problemen kunnen ondervinden ten aanzien van de uitoefening van het christelijk geloof, met name indien zij daar moslims trachten te bekeren tot het christendom. Van deze bekeerlingen mag worden verwacht dat zij zich terughoudend opstellen wat betreft het verrichten van bekeringsactiviteiten, teneinde de problemen die zij als gevolg daarvan mogelijk zullen ondervinden te vermijden. Dat zij, door in zoverre terughoudendheid te betrachten, het christelijk geloof in Iran wellicht niet op dezelfde wijze kunnen uitoefenen als in Nederland, betekent nog niet dat zij bij hun geloofsuitoefening zodanig ernstige beperkingen ondervinden dat zij reeds vanwege de door hen gevreesde problemen bij het ontplooien van voormelde activiteiten in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

2.2.7. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in de informatie die is weergegeven in de hiervoor onder 2.2.5. vermelde, van na het WBV 2007/15 daterende, ambtsberichten terecht geen aanleiding gezien voor aanpassing van dit WBV. Die informatie biedt evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte geen nader onderscheid heeft gemaakt tussen tot het christendom bekeerde voormalige moslims die tevens moslims trachten te bekeren tot het christendom en zij die dat niet doen. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat voormelde terughoudendheid bij het verrichten van bekeringsactiviteiten van hem niet kan worden verwacht. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de vreemdeling als in Nederland tot het christendom bekeerde moslim bij terugkeer naar Iran problemen kan ondervinden die verband houden met zijn afvalligheid van de islam dan wel zijn bekeringsactiviteiten en in het wetsvoorstel dan ook ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het besluit van 28 januari 2008 wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.4. De informatie uit de door de vreemdeling overgelegde stukken die dateren van na de aangevallen uitspraak, waaronder de ambtsberichten inzake Iran van mei 2009 en van januari 2010 en het "International Religious Freedom Report 2009" van het U.S. Department of State van 26 oktober 2009, komt in wezen overeen met de informatie die ook bij het onder 2.2.6. en 2.2.7. weergegeven oordeel is betrokken. Deze informatie geeft reeds daarom geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

2.5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die grond valt thans dientengevolge buiten het geding.

2.6. Het beroep tegen het besluit van 28 januari 2008 is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 5 maart 2009 in zaak nr. 08/4074;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2010

284-549.

Verzonden: 4 oktober 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser