Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201006422/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluplan Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006422/2/R3.

Datum uitspraak: 1 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], wonend te [woonplaats], gemeente Renkum,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Losser,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluplan Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2010, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 september 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen. Voorts is daar [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Voor zover [partij] aanvoert dat [verzoekster] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, overweegt de voorzitter als volgt. [verzoekster] is eigenaresse van het landgoed [landgoed] te [plaats]. Dit landgoed grenst aan het perceel [locatie] dat in het gebied ligt waarop dit plan betrekking heeft. Gelet hierop is de voorzitter vooralsnog van oordeel dat [verzoekster] in zoverre een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. De voorzitter verwacht dan ook dat haar beroep in de bodemprocedure ontvankelijk is.

2.3. Het plan voorziet in een thematische herziening van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied". In dit kader maakt het plan onder meer een vergroting van de maximale inhoudsmaat voor woningen en een uitbreiding van de maximaal toegestane oppervlakte voor bijgebouwen mogelijk.

2.4. Naar ter zitting is gebleken is [partij], eigenaar van het perceel aan de [locatie] te [plaats, voornemens om een bouwvergunningaanvraag in te dienen zodra het plan in werking treedt. Gelet hierop is met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening een spoedeisend belang gemoeid.

2.5. Met haar verzoek richt [verzoekster] zich tegen de vaststelling van de zinsnede "exclusief kelder en" in artikel 8, lid B, onder 4, en de definitie van het begrip kelder in artikel 1, onder al, van de planregels, voor zover deze betrekking hebben op het perceel [locatie]. Door de inhoud van de kelder niet bij de maximale inhoudsmaat voor woningen te betrekken, kan volgens haar een woning op dit perceel worden gerealiseerd die door uitstraling en inhoud niet meer als passend in het buitengebied kan worden beschouwd en een aantasting van de omliggende Ecologische Hoofdstructuur met zich kan brengen. De vergroting van de maximale inhoudsmaat voor een woning op dit perceel is volgens haar voorts in strijd met het onder meer in de Provinciale Structuurvisie en Omgevingsverordening verwoorde streven om burgerwoningen in het buitengebied te weren. Verder voert [verzoekster] aan dat het plan ten onrechte in een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van de kelder voorziet.

2.5.1. Ingevolge artikel 1, onder al, van de planregels moet onder een kelder worden verstaan het gedeelte van een gebouw dat gelegen is beneden de begane-grondvloeren.

Artikel 8, lid B, onder 4, van de planregels, voor zover thans van belang, bepaalt dat ter plaatse van de voor "Woondoeleinden" bestemde gronden de inhoud van een woning exclusief kelder ten hoogste 750 m3 bedraagt, dan wel, indien een grotere woning aanwezig is, de inhoud zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

2.5.2. Anders dan [verzoekster] stelt, voorzien deze artikelonderdelen niet in een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van de kelder ten opzichte van de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan "Buitengebied" bood. De gebruiksmogelijkheden van het perceel [locatie], waaronder de beoogde woning met kelder, worden immers bepaald door de doeleindenomschrijving van de bestemming "Woondoeleinden", die in het bestemmingsplan "Buitengebied" met betrekking tot het perceel is toegekend. Deze doeleindenomschrijving is in het voorliggende plan niet gewijzigd.

2.5.3. De in de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" voorgeschreven maximale inhoudsmaat voor woningen was 600 m3 inclusief kelder. Op basis van dat bestemmingsplan zou een bouwvergunning kunnen worden verleend voor een woning op het perceel [locatie], waarvan de bovengrondse bebouwing maximaal 600 m3 bedraagt. Dit is 150 m3 minder dan het voorliggende plan aan bovengrondse bebouwing op dit perceel mogelijk maakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter bestaat gelet op de omstandigheid dat op het perceel [locatie] tot voor kort een legaal opgerichte woning met een inhoud van meer dan 800 m3 inclusief kelder heeft gestaan, geen grond voor de vrees dat een op basis van het plan opgerichte woning op het perceel niet zou passen in het buitengebied. De voorzitter is er om dezelfde reden op voorhand niet van overtuigd dat voor negatieve gevolgen voor de omliggende Ecologische Hoofdstructuur moet worden gevreesd. De voorzitter ziet voorts niet in dat vergroting van de maximale inhoudsmaat in strijd is met het aangehaalde provinciale beleid, aangezien het hierin verwoorde streven om burgerwoningen uit het buitengebied te weren slechts betrekking heeft op de bouw van nieuwe woningen in het buitengebied en artikel 8, lid B, onder 4, van de planregels daar niet in voorziet.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid een doorslaggevend gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gemoeid met vergroting van de maximale inhoudsmaat voor een woning op het perceel [locatie].

2.6. Met haar verzoek richt [verzoekster] zich in de tweede plaats tegen de vaststelling van artikel 8, lid B, onder 9, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover dit artikelonderdeel betrekking heeft op het perceel [locatie]. Volgens haar is de in dit artikelonderdeel voorziene verruiming van de mogelijkheid om bijgebouwen op dit perceel te bouwen onvoldoende gemotiveerd, nu deze verruiming afwijkt van hetgeen in de beleidsnota "Wonen in het Buitengebied" staat vermeld.

2.6.1. Artikel 8, lid B, onder 9, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover thans relevant, bepaalt dat ter plaatse van de voor "Woondoeleinden" bestemde gronden vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen bij een hoofdgebouw opgericht mogen worden, waarbij de totale oppervlakte van de bijgebouwen ten hoogste 75 m2 mag bedragen. Daarbij geldt ingevolge dit artikelonderdeel dat - bij toepassing van de saneringsregeling in geval van vervanging van meerdere bijgebouwen, waarbij de toegestane oppervlakte reeds is overschreden - maximaal twee bijgebouwen met een oppervlakte van niet meer dan 150 m2 zijn toegestaan, waarbij sprake moet zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit dan wel de landschappelijke situatie en de oppervlakte van de nieuwbouw niet meer mag bedragen dan de helft van de oppervlakte van de te slopen bebouwing.

2.6.2. Niet in geschil is dat met betrekking tot het perceel [locatie] sprake is van een saneringsgeval als bedoeld in artikel 8, lid B, onder 9, aanhef en onder a, van de planregels. Gelet hierop is de bouw van maximaal twee bijgebouwen met een oppervlakte van niet meer dan 150 m2 op het perceel mogelijk. Toegegeven kan worden dat het plan in zoverre verschilt van de beleidsnota "Wonen in het Buitengebied" waarin staat aangegeven dat in een dergelijk geval maar één bijgebouw met een maximale oppervlakte van 150 m2 mag worden gerealiseerd. Het verschil betreft echter slechts het maximum aantal bijgebouwen en doet geen afbreuk aan de in de beleidsnota opgenomen motivering wat betreft de vergroting van de maximale oppervlakte voor bijgebouwen. Gelet op het voorgaande en na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter geen aanleiding om het bestreden besluit op dit punt te schorsen.

2.7. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2010

177-589.