Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9539

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201002103/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het realiseren van het [koffiepunt] in de schuur bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/5416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002103/1/H1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 januari 2010 in zaak nr. 08/636 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het realiseren van het [koffiepunt] in de schuur bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het college het door, voor zover hier van belang, [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2010, verzonden op 2 februari 2010, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 april 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. van Huut, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghoudster], bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] hebben voor het eerst in hoger beroep betoogd dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 15, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.2. Wat [appellanten] in hoger beroep aanvoeren ten aanzien van activiteiten die afwijken van de bij het besluit van 6 november 2007 gestelde voorwaarden, staat in de onderhavige procedure niet ter beoordeling, aangezien dit niet de verlening van de vrijstelling, maar de handhaving betreft. Dit betoog kan daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hetgeen zij in hoger beroep hebben aangevoerd ten aanzien van het parkeren van voertuigen buiten de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, betreft de handhaving van de verkeersregels en staat om dezelfde reden evenmin ter beoordeling, evenmin als de vraag of voor het aanwezige terras vergunning is verleend.

2.3. Het reeds gerealiseerde bouwplan betreft een horecagelegenheid, waar dranken en eenvoudige gerechten worden geserveerd, en die plaats biedt aan ongeveer 32 personen.

2.4. Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied, 1e herziening", rust op het perceel de bestemming "Bedrijven (B)" en de subbestemming "Aannemingsbedrijf (Ban)".

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart voor bedrijven zijn aangewezen, bestemd voor bedrijven als bedoeld in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder a, zijn de gronden ter plaatse van de subbestemming "Aannemingsbedrijf (Ban)" tevens bestemd voor aannemingsbedrijven als bedoeld in de categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het tiende lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in de aanhef van lid 1 teneinde bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, indien en voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de ingevolge de aanhef van lid 1 toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

2.5. Omdat het ter plaatse exploiteren van een horecagelegenheid niet voorkomt in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, heeft het college vrijstelling van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 19, tiende lid, van de planvoorschriften. Het college heeft aan de vrijstelling onder meer de voorwaarde verbonden dat het parkeerplan dient te voorzien in een parkeergelegenheid met minimaal zes parkeerplaatsen, exclusief benodigde plaatsen voor eigen auto's, op eigen grond of op grond waarvan kan worden aangetoond dat deze met toestemming van de eigenaar exclusief voor het koffiepunt in gebruik is en dat dit voor de duur van het gebruik van het koffiepunt structureel is geregeld.

2.6. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college vrijstelling van het bestemmingsplan kon verlenen. Zij voeren aan dat de activiteiten die in het kader van de exploitatie van het koffiepunt worden ontplooid, niet vergelijkbaar zijn met de activiteiten die plaatsvinden in het kader van een ingevolge het bestemmingsplan toegestaan aannemingsbedrijf.

2.6.1. Ingevolge artikel 19, tiende lid, van de planvoorschriften, kan het college onder meer vrijstelling verlenen in gevallen waar het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen categorie 2, waaronder volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, onder meer restaurants, cafetaria's, snackbars en viskramen worden geschaard. Het college heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat het, gezien het aantal in [het koffiepunt] beschikbare gastenplaatsen, het beperkte assortiment dat wordt aangeboden en de omstandigheid dat het koffiepunt alleen is geopend op vrijdagen, zaterdagen en zondagen van 10.00 tot 18.00 uur, [het koffiepunt] kon beschouwen als een bedrijf dat naar zijn aard en invloed op de omgeving tot de voormelde categorie 2 kan worden gerekend. Het betoog faalt.

2.7. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij het vaststellen van het benodigde aantal parkeerplaatsen mocht uitgaan van de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, opgesteld door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW), omdat deze aanbevelingen van het CROW zijn opgesteld voor stedelijke zones en niet voor landelijk gebied, althans dat het college niet mocht uitgaan van het minimum van zes behorend bij de categorie 'Café/bar/discotheek/cafetaria'.

2.7.1. Het college heeft ter zitting verklaard dat het bij het verlenen van vrijstellingen als uitgangspunt hanteert dat het benodigde aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein kan worden gerealiseerd. Ter bepaling van de parkeerbehoefte worden daarbij de aanbevelingen van het CROW als uitgangspunt genomen, en afhankelijk van de feitelijke situatie geïnterpreteerd. In het geval van [het koffiepunt] is, gezien de ligging ervan, uitgegaan van de CROW-aanbevelingen voor niet-stedelijk gebied. Gezien de beperkte openingstijden van het koffiepunt, is daarbij gekozen voor het bij de categorie 'niet stedelijk' behorende minimum van zes parkeerplaatsen.

[appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal onvoldoende is. Evenmin is gebleken dat op de beschikbare ruimte de benodigde parkeerplaatsen niet kunnen worden gerealiseerd.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college voor het bepalen van het ten behoeve van [het koffiepunt] benodigde aantal parkeerplaatsen, mocht uitgaan van het door het CROW gehanteerde minimum van zes parkeerplaatsen in niet-stedelijk gebied.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

17-619.