Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9537

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201000473/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 december 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen van het pakhuis met kantoren in appartementsgebouwen op het perceel [locatie] te Dordrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/1467 met annotatie van C.M. Saris
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000473/1/H1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 4 december 2009 in zaak nr. 08/903 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen van het pakhuis met kantoren in appartementsgebouwen op het perceel [locatie] te Dordrecht.

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover ingediend door [appellant A] en [appellant B], het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaarschrift van [appellant A] en [appellant B] ontvankelijk is verklaard, dit bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 februari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2010, waar het college, vertegenwoordig door H.W.J. Visser en L.P.J. Mosch, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte het bezwaarschrift van [appellant A] en [appellant B] niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voeren zij aan dat [appellant A] en [appellant B] het bezwaarschrift op 7 februari 2008 op het gemeentehuis hebben afgegeven. [appellant] en anderen wijzen er op dat de datumstempel op het bezwaarschrift niet de ontvangstdatum, maar de scandatum betreft.

2.2.1. Vast staat dat het besluit van 28 december 2007 op diezelfde dag is bekendgemaakt en dat de bezwaartermijn derhalve tot en met 8 februari 2008 liep. Voorts staat vast dat op het door [appellant A] en [appellant B] ingediende bezwaarschrift van 7 februari 2008 een datumstempel staat van 14 februari 2008.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200604021/1), moet er, wanneer een bezwaarschrift niet wordt verzonden naar de betrokken instantie, maar door de indiener zelf wordt bezorgd, in beginsel van uit worden gegaan dat dit geschrift bij die instantie is ingekomen op de datum die is vermeld op het stempel dat er bij binnenkomst op is geplaatst. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering, indien de indiener aannemelijk maakt dat het geschrift eerder is binnengekomen. Tot bewijs kan onder meer strekken een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift. [appellant A] en [appellant B] beschikken niet over een ontvangstbevestiging of een ander schriftelijk bewijs van tijdige afgifte van het bezwaarschrift. Het college heeft voorts de rechtbank bij faxbericht van 19 januari 2009 te kennen gegeven dat de ontvangstdatum van het bezwaarschrift 14 februari 2008 is. Met de omstandigheid dat een door [appellant] en [appellant C] ingediend bezwaarschrift, blijkens het ter zake afgegeven ontvangstbewijs, eerder is ontvangen dan het door het college geplaatste datumstempel op dit bezwaarschrift doet vermoeden, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant A] en [appellant B] hun bezwaarschrift, ondanks het daarop geplaatste datumstempel van 14 februari 2008, tijdig hebben ingediend. Dat zij niet om een ontvangstbewijs hebben gevraagd, dient voor hun risico te blijven.

De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht overwogen dat moet worden geoordeeld dat het college, blijkens het geplaatste datumstempel op het bezwaarschrift van [appellant A] en [appellant B] en het faxbericht van het college aan de rechtbank van 19 januari 2009, dit bezwaarschrift niet eerder dan op 14 februari 2008, en derhalve buiten de bezwaartermijn, heeft ontvangen. Nu zij voorts terecht heeft overwogen dat niet is gebleken van redenen die zouden kunnen leiden tot het aannemen van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, heeft zij het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] met juistheid alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

2.3. Het bouwplan voorziet in het veranderen van een kantoorpand op het perceel in een appartementengebouw met 26 appartementen met een hoogte van 16,60 meter. Deze hoogte is in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Havengebied II" ter plaatse geldende bebouwingsvoorschriften, ingevolge welke de hoogte van de bebouwing ter plaatse niet meer dan 16 meter mag bedragen. Voorts is het bouwplan in strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Dordrecht (hierna: de bouwverordening), nu niet is voorzien in parkeerplaatsen in, op of onder het appartementengebouw, dan wel op of onder het bij dat gebouw behorende terrein. Het college heeft, teneinde toch bouwvergunning te kunnen verlenen, met toepassing van de in artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften vrijstelling verleend voor de overschrijding van de maximaal toegestane bebouwingshoogte en heeft voorts met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening, ontheffing verleend van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel.

2.4. [appellant] en anderen, zonder [appellant A] en [appellant B], (hierna: [appellant] en anderen) betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. Het college heeft volgens hen onvoldoende onderbouwd dat op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien, als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening. Daartoe stellen zij onder meer dat het, gelet op de afstand van ongeveer 900 meter van het voorziene appartementengebouw tot de parkeergarages Spuihaven en Veemarkt, niet reëel is dat toekomstige bewoners gebruik zullen maken van deze parkeergarages.

2.5. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.6. Het college hanteert, blijkens onder meer het besluit op bezwaar, bij de beantwoording van de vraag of een bouwplan in voldoende mate in parkeerruimte voorziet, de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW), zoals die zijn overgenomen in de Aanbevelingen Stedelijke Verkeervoorzieningen 2004 (ASVV 2004). Voor het bouwplan geldt, uitgaande van de parkeerkencijfers in de ASVV 2004, een parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per woning. Nu het bouwplan voorziet in 26 woningen, zou het moeten voorzien in 36,4 parkeerplaatsen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze parkeerplaatsen niet kunnen worden gerealiseerd in, op of onder het appartementengebouw, noch op of onder het eigen terrein, maar dat op andere wijze in de nodige parkeerruimte kan worden voorzien. Het college heeft daarbij belang toegekend aan de uitkomsten van het parkeeronderzoek door Goudappel Coffeng B.V., zoals neergelegd in het rapport van 11 juli 2007, waarin staat dat op een doordeweekse dag in de omgeving van het perceel gemiddeld 53 parkeerplaatsen vrij zijn en op het drukste moment, 20:00 uur, 33 parkeerplaatsen. Het college heeft bij het verlenen van ontheffing voorts in aanmerking genomen dat ter plaatse parkeerregulering, een mengvorm van betaald parkeren en vergunninghouders-parkeren, geldt en dat de bezoekers van het appartementengebouw op straat of in de nabijgelegen parkeergarages Spuihaven en Veemarkt betaald kunnen parkeren. De bewoners zullen volgens het college op grond van nog op te stellen uitvoeringsregels uitgesloten worden van het krijgen van een parkeervergunning en zullen vooral in voornoemde parkeergarages moeten parkeren. Doordat het parkeren in de parkeergarages goedkoper is dan in de directe omgeving van het bouwplan, verwacht het college dat deze parkeergarages een deel van de uit het bouwplan voortvloeiende parkeerbehoefte zullen opvangen en dat de rest van die parkeerbehoefte op straat opgelost kan worden.

2.7. Vooropgesteld zij dat in artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening niet de eis is gesteld dat alleen ontheffing kan worden verleend, indien het niet mogelijk is de parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Er bestond voor het college, anders dan [appellant] en anderen betogen, dan ook geen verplichting om te onderzoeken of inpandige parkeerplaatsen of parkeren op het eigen terrein mogelijk is.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich bij de besluitvorming niet mocht baseren op het rapport van Goudappel Coffeng van 11 juli 2007 en de daarin geconstateerde parkeerdruk voor de omgeving waarin het perceel is gelegen, omdat het onderzoek niet deugdelijk tot stand zou zijn gekomen, zoals [appellant] en anderen betogen. Dat het rapport van Goudappel Coffeng is opgesteld naar aanleiding van de vraag hoe het is gesteld met de parkeerdruk in de gehele binnenstad en niet naar aanleiding van een vraag met betrekking tot een kleiner gebied, biedt, anders dan [appellant] en anderen betogen, geen grond voor dat oordeel, nu de uitkomsten van het onderzoek per gebied zijn uitgesplitst en deze onderdelen van het onderzoek dan ook zelfstandig te gebruiken zijn. De enkele omstandigheid dat op één dag onderzoek is gedaan door Goudappel Coffeng leidt evenmin tot het oordeel dat haar rapport niet deugdelijk tot stand is gekomen. Anders dan [appellant] en anderen betogen, is voorts niet gebleken dat deze dag, 5 juni 2007, als niet-representatief met betrekking tot de parkeerdruk moet worden aangemerkt, omdat het om een zomerdag vlak vóór de zomervakantieperiode zou gaan. De zomervakantieperiode voor de regio Midden, waarin Dordrecht is gelegen, begon ruim een maand later, op 14 juli 2007. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat ook de door [appellant] en anderen zelf uitgevoerde tellingen onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat het college zich niet op het rapport van Goudappel Coffeng mocht baseren, reeds nu niet is gebleken hoe deze tellingen tot stand zijn gekomen.

[appellant] en anderen betogen voorts tevergeefs dat het gelijkheidsbeginsel aan het uitsluiten van de bewoners van de voorziene appartementen van het krijgen van een parkeervergunning in de weg staat. Zoals door het college ook ter zitting is toegelicht, wordt bij alle nieuwbouwprojecten in de binnenstad hetzelfde beleid gevoerd. Dit beleid is inmiddels ook vastgelegd in de op 15 juni 2010 door het college vastgestelde "Eerste aanvulling uitvoeringsregels parkeervergunningen nieuwbouw". Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college dit beleid niet als uitgangspunt bij zijn besluitvorming mocht nemen.

Voor zover het college bij de beoordeling of op andere wijze in de benodigde parkeerruimte kan worden voorzien, de parkeergarages Spuihaven en Veemarkt heeft betrokken, wordt het volgende overwogen. Namens het college is ter zitting gesteld dat de loopafstand van het perceel naar de parkeergarages Spuihaven en Veemarkt 400 tot 600 meter bedraagt en zijn ter zitting de looproutes naar deze parkeergarages op een kaart ingetekend. Bij nameting van de door het college aangegeven looproutes is evenwel gebleken dat de loopafstand naar beide parkeergarages minstens 750 meter bedraagt. De parkeerplaatsen in deze parkeergarages kunnen, gelet op deze loopafstanden, niet worden aangemerkt als redelijke alternatieve parkeerplaatsen voor de bewoners van de voorziene appartementen. Hieruit vloeit voort dat het bepaalde in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening door het college niet kon worden toegepast als grond voor ontheffing van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, zodat het bestreden besluit in zoverre een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert.

Het betoog slaagt.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van [appellant] en anderen, zonder [appellant A] en [appellant B], ongegrond is verklaard. Het besluit van 10 juni 2008 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor verdergaande vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op de door [appellant] en anderen, zonder [appellant A] en [appellant B], gemaakte bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 4 december 2009 in zaak nr. 08/903, voor zover het beroep van [appellant] en anderen, zonder [appellant A] en [appellant B], ongegrond is verklaard;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht van 10 juni 2008, kenmerk SO/2008/3667;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

270-580.