Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201001138/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2009:BK7105, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college geweigerd op de begraafplaats aan de Scholenweg te Rouveen aan [appellanten] drie extra graven uit te geven naast de graven van de ouders van de familie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001138/1/H3.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats], gemeente Staphorst,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 december 2009 in zaak nr. 08/444 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college geweigerd op de begraafplaats aan de Scholenweg te Rouveen aan [appellanten] drie extra graven uit te geven naast de graven van de ouders van de familie.

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 19 februari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2010, waar [appellanten], bijgestaan door mr. E. Hardenberg, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.W. Töller en J.J. Hoefman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Beheersverordering gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Staphorst 2006 (hierna: de verordening) regelt het college de indeling van de gemeentelijke begraafplaatsen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, worden graven slechts uitgegeven voor directe begraving en aansluitend op de reeds uitgegeven graven.

Ingevolge het tweede lid bestaat er geen mogelijkheid om van tevoren een grafruimte te reserveren.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, kan/kunnen bij overlijden van een partner of een kind de andere partner/de ouders - in geval van een 1-diep graf - één of twee naastliggende graven extra kopen.

Ingevolge artikel 32 beslist het college in een geval waarin de verordening niet voorziet of in geval van verschil van mening over de uitleg van haar bepalingen.

2.2. Het college heeft de afwijzing van het verzoek van [appellanten] om op de begraafplaats in de woonkern Rouveen drie extra graven uit te geven aan de familie naast de graven van de ouders van de familie gehandhaafd, omdat de verordening dit volgens hem niet toelaat. De verordening voorziet voor de begraafplaats aan de Scholenweg te Rouveen, die uit 1-diep graven bestaat, slechts in de mogelijkheid om maximaal twee graven te kopen die zijn gelegen naast het graf van het familielid dat het eerst is overleden, aldus het college in het bij de rechtbank bestreden besluit. Na het overlijden van de moeder, [naam moeder], kon [appellanten] volgens het college daarom slechts twee graven kopen die gelegen zijn naast het graf van de moeder. Omdat de uitgifte van graven in de verordening uitputtend is geregeld, komt aan artikel 32 van de verordening geen aanvullende werking toe, aldus het college in dat besluit.

2.3. [appellanten] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 32 van de verordening geen hardheidsclausule is. Volgens haar is dat namelijk wel het geval. Het college had met toepassing van die bepaling moeten afwijken van hetgeen is bepaald in artikel 9 van de verordening, gezien de uitzonderlijke situatie waarin zij zich bevindt, aldus [appellanten].

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat artikel 32 van de verordening niet kan worden aangemerkt als een hardheidsclausule en dat die bepaling geen grond biedt om af te wijken van hetgeen in artikel 9 van de verordening is bepaald over de uitgifte van graven. Artikel 32 van de verordening geeft het college slechts de bevoegdheid om te beslissen in een geval waarin de verordening niet voorziet of wanneer een verschil van mening bestaat over de uitleg van de bepalingen van de verordening. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat beide situaties hier niet aan de orde zijn. De uitgifte van graven is uitputtend geregeld in artikel 9 van de verordening. Verder kan geen verschil van mening bestaan over de uitleg van die bepaling, nu die volstrekt duidelijk is en slechts voor één uitleg vatbaar is.

2.4. [appellanten] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college in het verleden artikel 32 van de verordening zou hebben toegepast als een hardheidsclausule in de door haar voorgestane zin, dan wel de indruk zou hebben gewekt dat te willen doen. Het enkele feit dat het college bij bepaalde gelegenheden artikel 32 van de verordening wel als een hardheidsclausule zou hebben aangeduid is, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1 is overwogen, onvoldoende om die conclusie te kunnen dragen. De stelling van [appellanten] dat het college bij de uitgifte van graven op een nieuwe rij begint wanneer twee graven tegelijk worden gereserveerd omdat bijvoorbeeld een echtpaar naast elkaar wenst te worden begraven, terwijl nog één graf beschikbaar is op de rij graven waarin tot dan toe graven werden uitgegeven, doet aan het voorgaande niet af. Zo in dergelijke situaties al van de verordening wordt afgeweken en artikel 32 van de verordening door het college wordt toegepast, is er geen sprake van gevallen vergelijkbaar met hetgeen [appellanten] wenst te bereiken met haar verzoek, reeds omdat in dergelijke situaties de afwijking in de volgorde van uitgifte van graven gering is en het begraven van partners in naastliggende graven in overeenstemming met de verordening is. Verder heeft [appellanten] slechts één concreet geval genoemd ter staving van haar stelling dat artikel 32 van de verordening een hardheidsclausule is en door het college wordt toegepast op de door haar voorgestane wijze, te weten het geval van twee overleden baby's. Voor deze baby's is een graf gesplitst in twee graven, waarin die baby's zijn begraven. Uit hetgeen [appellanten] daaromtrent naar voren heeft gebracht, blijkt echter dat in dat geval niet meer grafruimte werd uitgegeven dan op grond van artikel 9 van de verordening is toegestaan, zoals [appellanten] dat wenst. Reeds daarom is dat geval niet gelijk aan het geval van [appellanten], laat staan dat het een geval is dat tot toepassing van artikel 32 van de verordening als een hardheidsclausule ten aanzien van het verzoek van [appellanten] zou moeten leiden. Voorts bestaat voor het college geen verplichting om artikel 32 van de verordening nogmaals onjuist toe te passen als het die bepaling in het geval van de overleden baby's onjuist zou hebben toegepast.

2.5. Gelet op hetgeen onder 2.3.1 en 2.4 is overwogen, biedt artikel 32 van de verordening geen mogelijkheid om af te wijken van hetgeen over de uitgifte van graven is bepaald in artikel 9 van de verordening. Het betoog van [appellanten] dat zij bereid is tegemoet te komen aan de overige bezwaren die het college heeft tegen het verkopen van de door haar gewenste graven behoeft daarom geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

97-622.