Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9532

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201004073/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft het college ingestemd met het deelsaneringsplan voor het geval van bodemverontreiniging op de locatie [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Wet bodembescherming 40
Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming
Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/119 met annotatie van Flietstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004073/1/M2.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft het college ingestemd met het deelsaneringsplan voor het geval van bodemverontreiniging op de locatie [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. P.A.L.C. Lamme, advocaat te Zoetermeer, en het college vertegenwoordigd door drs. A.M. Burger, drs. M. Münninghoff en drs. C.C. Arendz, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] voert aan de voorkeur te geven aan een gezamenlijke aanpak van de gehele bodemverontreiniging. Zij stelt dat het aanbrengen van een damwand hoge kosten met zich meebrengt die in geen verhouding staan tot het verwijderen van de gehele verontreiniging. Tevens voert zij aan dat de in het deelsaneringsplan opgenomen ontgraving tot 3,15 meter onder het maaiveld niet noodzakelijk is. Volgens haar is de ondergrens van de verontreiniging niet bepaald en kan er daarom volstaan worden met het ontgraven onder vrij talud tot aan de bebouwing. Het plaatsen van een damwand is dan niet nodig, aldus [appellante].

2.1.1. Het college stelt dat de bodemverontreiniging op het desbetreffende perceel typisch een verontreiniging is die in aanmerking komt voor een deelsanering zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet bodembescherming. Het gaat om een braakliggend stuk grond waar bouwplannen voor bestaan.

Het college stelt verder dat het bestreden besluit slechts getoetst kan worden aan aspecten die de bodemkwaliteit betreffen. Uit bodemonderzoek is volgens het college gebleken dat de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen deze deelsanering. Aspecten van uitvoering kunnen bij deze toetsing geen rol spelen, aldus het college.

Volgens het college blijkt uit bodemonderzoek dat de verontreiniging met minerale olie aanwezig is van een diepte van 1 tot ten minste 3,5 meter onder het maaiveld. De ontgraving van de verontreiniging is volgens het college zonder damwand niet mogelijk zonder schade te veroorzaken aan de aangrenzende bebouwing. Met de in het deelsanering opgenomen damwand kan tot een diepte van 3,1 meter worden ontgraven. Eventueel dieper gelegen verontreiniging zal met een in-situ techniek worden verwijderd, aldus het college.

2.1.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten, indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, toestaan bij een melding die een voornemen betreft om een handeling te verrichten ten gevolge waarvan slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst, te volstaan met het verstrekken van een saneringsplan voor het betrokken gedeelte.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming behoeven de stukken, bedoeld in het eerste lid, de instemming van gedeputeerde staten. Artikel 39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming, voor zover thans van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 88, eerste en achtste lid, van de Wet bodembescherming en artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, in samenhang bezien, wordt de gemeente Leiden gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van onder meer artikel 39 van de Wet bodembescherming.

2.1.3. Bij een besluit krachtens artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming over de instemming met een saneringsplan staat aan het college slechts ter beoordeling of de voorgestelde sanering voldoet aan de bij of krachtens artikel 38 van de Wet bodembescherming gestelde regels. In het eerste lid van dit artikel zijn de criteria genoemd waaraan de sanering moet voldoen. Hetgeen [appellante] aanvoert met betrekking tot een gezamenlijke aanpak van de gehele bodemverontreiniging, de kosten van de sanering en eventuele schade aan de fundering heeft geen betrekking op deze criteria en geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met het saneringsplan heeft kunnen instemmen.

Met betrekking tot hetgeen [appellante] aanvoert ten aanzien van de door haar gewenste volledige sanering van de bodemverontreiniging overweegt de Afdeling dat, uit het Rapport betreffende een nader bodemonderzoek [locaties] (e.o) blijkt dat het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen een deelsanering.

Met betrekking tot hetgeen [appellante] aanvoert ten aanzien van de diepte van de ontgraving overweegt de Afdeling dat, gelet op de in genoemd bodemonderzoek gegeven begrenzing van het onderhavige geval van bodemverontreiniging, het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ingestemd kon worden met de in het deelsaneringsplan opgenomen saneringsmethode. Nu niet vast staat wat de ondergrens is van de verontreiniging, maar wel is vastgesteld dat tot tenminste 3,5 meter onder het maaiveld verontreiniging aanwezig is, kan (anders dan [appellante] kennelijk meent) niet worden volstaan met een ontgraving tot geringere diepte. Deze beroepsgrond faalt.

2.2. Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Klap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

315.