Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201002117/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het dagelijks bestuur aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oosterparking B.V. een garagevergunning verleend voor het gebruik van de parkeergarage onder het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam (hierna: het OLVG).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002117/1/H3.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2010 in zaak nr. 08/3021 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer (thans: het stadsdeel Oost).

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het dagelijks bestuur aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oosterparking B.V. een garagevergunning verleend voor het gebruik van de parkeergarage onder het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam (hierna: het OLVG).

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 maart 2010.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft Oosterparking BV op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 14 augustus 2010 heeft [appellant] een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2010, waar [appellant] in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S. Heijsen, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidde ten tijde van belang, kunnen bestuursorganen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen:

a. (…)

b. (…)

c. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. (…).

Ingevolge het vierde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.

Ingevolge artikel 5.20, eerste lid, worden bij ministeriële regeling voor de toepassing van deze titel regels gesteld met betrekking tot:

a. de wijze waarop en de frequentie waarmee het kwaliteitsniveau gemeten of berekend wordt,

b. de voor de onder a bedoelde metingen en berekeningen verantwoordelijke bestuursorganen,

c. de wijze van bekostiging van de onder a bedoelde metingen en berekeningen,

d. de wijze en het tijdstip waarop verslag wordt gedaan van de uitkomsten van de onder a bedoelde metingen en berekeningen en de in het verslag op te nemen gegevens,

e. de wijze waarop de effecten en kwaliteitsniveaus, bedoeld in de artikelen 5.12, tweede en derde lid, en 5.16, eerste lid, worden berekend.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) wordt onder tijdelijke 1% grens verstaan 1% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, draagt tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de tijdelijke 1% grens overschrijdt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Garageverordening van de gemeente Amsterdam is het de rechthebbende op het gebruik van een garage die een oppervlakte heeft van 40 vierkante meter of meer, of die wordt gebruikt voor onderhouds- of herstelwerkzaamheden aan motorrijtuigen, verboden, deze garage te gebruiken zonder vergunning van burgemeester en wethouders of in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

2.2. In haar uitspraak van 28 februari 2007 (zaak nr. 200602955/1) heeft de Afdeling overwogen dat het dagelijks bestuur bij de verlening van de garagevergunning ten onrechte heeft nagelaten een onderzoek in te stellen naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

In het naar aanleiding van deze uitspraak genomen nieuwe besluit op bezwaar van 17 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat uit een onderzoek verricht door het Ingenieursbureau Amsterdam (hierna: het IBA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in de notitie "Luchtkwaliteit ondergrondse parkeergarage OLVG" van 11 februari 2008, is gebleken dat de verlening van de garagevergunning voldoet aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de resultaten van het door het IBA verrichte onderzoek niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Bij het onderzoek heeft het IBA volgens hem ten onrechte volstaan met berekeningen in plaats van daadwerkelijk metingen te verrichten. Voorts zou het dagelijks bestuur ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de metingen verricht door het RIVM op de meetpunten aan de Mauritskade en het Prins Bernardplein.

2.3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 dat bij het bepalen van de achtergrondwaarden in een lokale situatie ten behoeve van de beoordeling of bij het nemen van een concreet besluit de grenswaarden in acht worden genomen, in beginsel zowel het verrichten van metingen als het hanteren van een rekenmodel zijn toegestaan. In beide gevallen geldt dat de concentraties ter plaatse voldoende betrouwbaar en representatief moeten worden vastgesteld. Het IBA heeft de gevolgen voor de luchtkwaliteit berekend met behulp van het CAR 6.1.1 model, ten tijde van het onderzoek het meest recente model. De berekening is overeenkomstig de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 uitgevoerd. Het betoog van [appellant] dat ten onrechte is nagelaten te meten faalt derhalve, zoals de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft overwogen. Het betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de metingen verricht door het RIVM op de meetpunten aan de Mauritskade en het Prins Bernardplein faalt evenzeer, aangezien het dagelijks bestuur mocht volstaan met de berekeningen zoals uitgevoerd door het IBA.

2.4. Voorts voert [appellant] aan dat in het onderzoek van het IBA cijfers over de verkeersintensiteit in de Ruyschstraat, waaraan de garage ligt, ontbreken terwijl deze voor het IBA wel beschikbaar zouden zijn. Het onderzoek is ten onrechte gebaseerd op de Wibautstraat en is om deze reden niet deugdelijk, aldus [appellant].

2.4.1. Dit betoogt faalt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft mogen stellen dat nu door het IBA de luchtkwaliteit in de Wibautstraat is beoordeeld, door welke straat aanzienlijk meer auto's rijden dan door de Ruyschstraat, en uit het onderzoek is gebleken dat door de verlening van de garagevergunning de luchtkwaliteit in de Wibautstraat binnen de door de Wet milieubeheer gestelde grenzen blijft, het niet noodzakelijk was dat ook de luchtkwaliteit in de Ruyschstraat beoordeeld werd.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in het onderzoek ten onrechte slechts de stoffen stikstofdioxide en fijnstof zijn betrokken terwijl volgens hem ook benzeen, lood en ozon gemeten hadden moeten worden. Bovendien wordt volgens hem de toegestane hoeveelheid stikstofdioxide in 2010 overschreden. Wat betreft fijnstof is ten onrechte slechts onderzoek gedaan naar de zwevende deeltjes (PM10) en niet naar de veel hogere concentratie van de zwevende deeltjes (PM20), aldus [appellant].

2.5.1. Volgens het onderzoek van het IBA is de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide in 2010 in de Wibautstraat 40 microgram per kubieke meter. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen blijkt uit het onderzoek van het IBA dat in 2010 de norm voor stikstofdioxide in de Wibautstraat weliswaar wordt overschreden maar blijkt eveneens dat de garage onder het OLVG daar slechts in zeer geringe mate aan bijdraagt, namelijk met een extra overschrijding van 0,1 microgram per kubieke meter. Dit is een overschrijding van minder dan 1% van de grenswaarde. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze overschrijding niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie stikstofdioxide zodat artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit, niet aan de verlening van de vergunning in de weg stond.

Anders dan [appellant] aanvoert heeft het IBA ook benzeen betrokken in het onderzoek. De Afdeling is voorts met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het IBA alle stoffen waarvoor in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen heeft onderzocht. Zwevende deeltjes (PM20) worden hierin niet genoemd. Voor ozon is in bijlage 2 geen grenswaarde opgenomen.

Ter zitting heeft [appellant] zijn betoog dat ten onrechte is nagelaten onderzoek te doen naar de hoeveelheid lood ingetrokken.

2.6. [appellant] heeft de Afdeling verzocht de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Daarnaast heeft hij verzocht de zitting te verdagen om te kunnen reageren op het rapport "Voorrang voor een gezonde stad" van de gemeente, waarover hij onlangs de beschikking heeft gekregen.

2.6.1. Het dagelijks bestuur heeft aan zijn besluit van 17 juni 2008 een rapport van een deskundige instantie ten grondslag gelegd. [appellant] heeft geen deskundigenrapport overgelegd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat de notitie van het IBA naar de wijze van totstandkoming dan wel naar de inhoud zodanige gebreken vertoont dat het dagelijks bestuur daarin aanleiding had moeten vinden deze notitie niet ten grondslag te leggen aan het besluit van 17 juni 2008. Voor inwilliging van de verzoeken van [appellant] bestaat derhalve geen aanleiding.

2.7. De stelling van [appellant] dat aan de verlening van een eerdere vergunning in 1996 als voorwaarde verbonden zou zijn dat de hoeveelheid verkeersbewegingen met 85% verminderd zou worden, kan, wat er ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat het dagelijks bestuur de huidige garagevergunning niet heeft mogen afgeven.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

512.