Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201001228/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft de minister een verzoek van [appellanten] om correctie van onjuiste gegevens in een rapport Raadsonderzoek civiele zaken van 3 juli 2007 (hierna: het raadsrapport) en in het bijbehorende dossier (hierna: het raadsdossier) op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001228/1/H3.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], (hierna [appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 januari 2010 in zaak nr. 09/541 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft de minister een verzoek van [appellanten] om correctie van onjuiste gegevens in een rapport Raadsonderzoek civiele zaken van 3 juli 2007 (hierna: het raadsrapport) en in het bijbehorende dossier (hierna: het raadsdossier) op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) afgewezen.

Bij besluit van 16 december 2008 heeft de minister, voor zover thans van belang, het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten]n hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2010, waar [appellanten], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I. Galama en mr. H. Jongen, beiden werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, voor zover thans van belang, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 45 geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, alsmede een beslissing naar aanleiding van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Ingevolge artikel 238, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt de wet de taken en bevoegdheden van de raad voor de kinderbescherming. Deze worden door de raad voor de kinderbescherming namens onze minister van Justitie uitgevoerd.

In de Normen 2000 (Stcr. 2001, 47; zoals nadien gewijzigd) zijn ten aanzien van de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming beleidsregels vastgesteld. Paragraaf 3.1 luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"Contactjournaal

Tijdens het onderzoek wordt in het contactjournaal chronologisch bijgehouden wanneer, op welke wijze (telefonisch, persoonlijk), waar en met wie contact is geweest, tevens wordt kort en bondig de essentie van het gesprek weergegeven. In het contactjournaal wordt tevens de datum en het besluit van het interne multidisciplinair overleg vermeld. Het contactjournaal moet steeds bijgehouden worden in verband met een mogelijk verzoek om inzage/afgifte (zie ook hoofdstuk 5). Bij afsluiting van het onderzoek wordt een uitdraai van het contactjournaal in het dossier opgeborgen."

2.2. [appellanten] hebben verzocht om correctie en verwijdering van verschillende gegevens in het raadsrapport en het raadsdossier, omdat deze gegevens volgens hen onjuist zijn. Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft de minister het verzoek afgewezen. Bij besluit van 16 december 2008 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het medische dossier van [appellant B] en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat zorgvuldig met de in het raadsrapport en het raadsdossier opgenomen gegevens is omgegaan en dat het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp opgenomen correctierecht niet is bedoeld om indrukken, meningen en conclusies, waarmee [appellanten] zich niet kunnen verenigen, te corrigeren of te verwijderen.

2.3. [appellanten] betogen dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte meermalen is opgenomen dat het geschil betrekking heeft op de correctie dan wel verwijdering van gegevens uit het raadsrapport, aangezien het gaat om correctie dan wel verwijdering van gegevens uit het raadsdossier. Verder is volgens hen ten onrechte opgenomen dat hun verzoek bij besluit van 10 oktober 2008 is afgewezen.

2.3.1. De aangevallen uitspraak geeft er geen blijk van dat de rechtbank het geschil beperkt heeft geacht tot het raadsrapport. Voorts kan de gestelde onjuiste weergave van het besluit van 10 oktober 2008 in het onderdeel 'Procesverloop', wat hier ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat de rechtbank de inhoud van dit besluit onjuist heeft geduid. Het betoog kan derhalve niet tot het daarmee beoogde doel leiden.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geweigerd om verschillende documenten uit het raadsdossier te verwijderen. Volgens hen geeft de verklaring van [leerkracht] op de Oranje-Nassauschool te Den Haag, blijk van een verkeerde interpretatie van de feiten, had [peuterleidster] van de kinderdagopvang van de Oranje-Nassauschool te Den Haag, geen zicht op de ontwikkeling van hun [kind] en is de verklaring van [leerkracht] op de Prinses Ireneschool te Den Haag, niet gebaseerd op haar eigen ervaringen en wordt die niet bevestigd door hetgeen in het leerlingendossier is opgenomen. Verder wijzen zij, omtrent een verklaring van [huisarts A], op een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage, waarbij aan [huisarts A] de maatregel van waarschuwing is opgelegd. Voorts blijkt volgens hen uit een brief van [huisarts B] van 14 juli 2008 dat het medische dossier fouten bevat. Daarnaast kan de in het raadsdossier opgenomen mededeling dat de Raad voor de Kinderbescherming op 13 april 2007 contact heeft gehad met de ParnassiaBavo Groep (hierna: Parnassia) volgens [appellanten] niet worden bevestigd. Tot slot had volgens hen ook het raadsrapport moeten worden verwijderd, omdat het onjuistheden bevat.

2.4.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 3 februari 2010 in zaak nr. 200903967/1/H3 stelt de Afdeling voorop dat het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht niet is bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies neergelegd in documenten, zoals een raadsrapport en een raadsdossier, waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. De juistheid van die indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies kan door een daartoe strekkend betoog in de daarvoor geƫigende procedure, in dit geval de procedure omtrent ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, aan de orde worden gesteld. De documenten die ter staving van dat betoog dienen en waarmee betrokkene een dergelijke verwijdering of correctie wil bewerkstelligen, kunnen in die procedure worden ingebracht. Dat [appellanten] zich niet kunnen verenigen met de in het raadsdossier en het raadsrapport opgenomen gegevens en dat door hen overgelegde documenten andersluidende gegevens bevatten, is op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de genoemde documenten terecht niet heeft gecorrigeerd of verwijderd.

2.4.2. Voor zover het betoog betrekking heeft op de verklaring van [huisarts A], overweegt de Afdeling dat uit het besluit van 16 december 2008 volgt dat [appellanten] te kennen hebben gegeven dat het afdoende is dat de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege aan het raadsdossier wordt toegevoegd en dat op het raadsdossier wordt aangetekend dat die uitspraak is gedaan. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd de verklaring van [huisarts A] uit het raadsdossier te verwijderen.

2.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat, naar aanleiding van het bezwaar van [appellanten], aan het raadsdossier is toegevoegd dat in een door PsyQ gestelde diagnose een psychotische stoornis wordt uitgesloten en van deze toevoeging tevens aantekening is gemaakt op het raadsdossier. In de brief van [huisarts B] is opgenomen dat, voor zover [huisarts B] weet, de diagnose psychotische stoornis nooit is gesteld. De strekking van deze brief komt derhalve overeen met de vermelding die aan het raadsdossier is toegevoegd. Daarom heeft de rechtbank, daargelaten waardoor de vermelding van een andersluidende diagnose in het medische dossier is veroorzaakt, ook in het aldus door [appellanten] aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd het medische dossier te verwijderen.

2.4.4. Anders dan [appellanten] betogen, is het aan hen om aannemelijk te maken dat de vermelding van het contact met Parnassia feitelijk onjuist is. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit de overgelegde brief van Parnassia van 9 oktober 2008 slechts dat er bij Parnassia geen gegevens bekend zijn waaruit volgt dat het contact heeft plaatsgevonden en niet dat dit contact niet heeft plaatsgevonden. Uit de omstandigheid dat Parnassia volgens beleid een dergelijk contact niet zou hebben mogen voeren, volgt evenmin dat het contact niet heeft plaatsgevonden.

De onderhavige zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot de door [appellanten] aangevoerde uitspraak van 12 januari 2005 in zaak nr. 200402326/1. In die zaak werd door de huisarts ontkend dat met hem telefonisch contact had plaatsgevonden en werd tevens medegedeeld dat niets was vermeld in het huisartsinformatiesysteem waarin alle telefoongesprekken werden vastgelegd. In de onderhavige zaak heeft de minister er op gewezen dat de Raad voor de Kinderbescherming volgens paragraaf 3.1 van de Normen 2000 alle contacten bijhoudt in een contactjournaal, dat in het op het onderhavige dossier betrekking hebbende contactjournaal is vermeld dat met Parnassia is gebeld en dat een raadsonderzoeker heeft bevestigd dat het contact met Parnassia heeft plaatsgevonden. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel omtrent de weigering om de genoemde vermelding te verwijderen. Niet valt in te zien dat de rechtbank, door de genoemde uitspraak van de Afdeling niet uitdrukkelijk in de uitspraak te vermelden, in strijd met het gelijkheidsbeginsel en in strijd met het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces heeft gehandeld.

2.4.5. [appellanten] hebben ten slotte aangevoerd dat diverse in het raadsrapport opgenomen verklaringen informatie bevatten die niet overeenkomt met informatie in door hen overgelegde documenten. Daarmee hebben [appellanten] echter niet aannemelijk gemaakt dat de weergave van de verklaringen in het raadsrapport afwijkt van hetgeen de betreffende personen daadwerkelijk hebben verklaard. Derhalve heeft de rechtbank hen terecht niet gevolgd in het standpunt dat het raadsrapport moet worden vernietigd.

2.4.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.1 tot en met 2.4.5 is overwogen, biedt het door [appellanten] aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de door hen genoemde documenten terecht niet heeft gecorrigeerd of verwijderd. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Claessens w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

280-640.