Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201002482/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het dagelijks bestuur [appellant] c.s. op straffe van bestuursdwang gelast om vóór 1 december 2008 de gehele of gedeeltelijke demping van de oppervlaktewateren, kadastraal bekend gemeente Chaam, sectie H nrs. 831 (hierna: waterloop A) en 837 (hierna: waterloop B), ongedaan te maken en deze in de oude staat, maten en profielen te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/306 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002482/1/H2.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 januari 2010 in zaak nr. 09/2346 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur).

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het dagelijks bestuur [appellant] c.s. op straffe van bestuursdwang gelast om vóór 1 december 2008 de gehele of gedeeltelijke demping van de oppervlaktewateren, kadastraal bekend gemeente Chaam, sectie H nrs. 831 (hierna: waterloop A) en 837 (hierna: waterloop B), ongedaan te maken en deze in de oude staat, maten en profielen te herstellen.

Bij besluit van 9 april 2009, voor zover thans van belang, heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2010, verzonden op 1 februari 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State bij faxbericht ingekomen op 12 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2010.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A.M. van Dooren, advocaat te Breda, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. D.I. Jansen-Jonkers, vergezeld door J.G. Happel, beiden werkzaam in dienst van het waterschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4.6 van de Keur waterkeringen en oppervlaktewateren waterschap Brabantse Delta (hierna: de Keur) is het verboden oppervlaktewateren geheel of gedeeltelijk te dempen, nieuwe oppervlaktewateren aan te leggen, wijzigingen in oppervlaktewateren aan te brengen en oppervlaktewateren met elkaar te verbinden.

Ingevolge artikel 4.7, eerste lid, onder a, is het verboden in, op, boven of onder oppervlaktewateren op enigerlei wijze de functie van het oppervlaktewater te belemmeren of te stremmen en oppervlaktewateren met elkaar te verbinden.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Waterschapswet, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is het waterschapsbestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid, wordt die bevoegdheid uitgeoefend door het dagelijks bestuur, indien toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels die het waterschapsbestuur uitvoert.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het dagelijks bestuur in bezwaar heeft hersteld dat in het besluit van 28 oktober 2008 ten onrechte [appellant] & Zn en [belanghebbende] c.s. worden genoemd en dit besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt, heeft miskend dat dit besluit tot een niet bestaande persoon of entiteit is gericht en daarom nietig is, nu er geen twijfel over mag bestaan, aan wie de last is opgelegd.

2.2.1. Dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht aldus overwogen en daartoe in aanmerking genomen dat [appellant] rechthebbende is op de desbetreffende percelen en het besluit van 28 oktober 2008, met begeleidende brief, aan hem is verzonden. Voor zover [appellant] stelt dat bij hem onduidelijkheid heeft bestaan door het naamgebruik, heeft hij daarvan geen nadeel ondervonden. Bovendien is dit in bezwaar hersteld.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat de bepalingen in de Keur zijn overtreden en daarbij aan zijn verklaringen en die van de door hem voorgebrachte getuige voorbij te gaan, heeft miskend dat met het verrichte civieltechnisch onderzoek alleen niet wordt aangetoond dat hij aan één kant van waterloop A de grond heeft ontgraven en deze naar de andere kant van de waterloop heeft verlegd en hij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Daarbij wijst hij op de wateroverlast die hij zelf op zijn gronden heeft ondervonden. Ook bij waterloop B heeft de rechtbank volgens hem miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte een overtreding heeft aangenomen.

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat uit het besluit van 28 oktober 2008 niet voldoende duidelijk is, welke herstelmaatregelen van hem werden verlangd. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte aangenomen dat het dagelijks bestuur met hem heeft besproken, hoe hij de waterlopen diende te herstellen en ten onrechte overwogen dat van hem, als eigenaar van de gronden, mag worden verwacht dat hij weet, hoe de waterlopen en duikers oorspronkelijk hebben gelegen.

2.3.1. Ten aanzien van waterloop A kan volgens het verslag van 15 december 2008 van het in opdracht van het dagelijks bestuur door Limus Environment B.V. (hierna: Limus) verrichte civieltechnisch onderzoek op basis van de civieltechnische opbouw van de bodem alleen niet worden aangetoond dat deze waterloop is verlegd. Het op een veldinventarisatie en historisch onderzoek gebaseerde vermoeden van het dagelijks bestuur dat dat wel is gebeurd, wordt echter ondersteund door hetgeen een buurman en twee anderen ter gelegenheid van de hoorzitting in bezwaar hebben verklaard, te weten dat [appellant] gedurende een aantal jaren deze waterloop probeert te verleggen door de grond ervan aan de kant van het perceel van deze buurman af te graven en toe te voegen aan de kant van zijn perceel, waardoor dit wordt vergroot ten koste van het buurperceel. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet op deze verklaringen mocht afgaan. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van waterloop B is volgens het verslag van het door Limus gedane onderzoek de kleilaag ter plaatse van de vermoedelijke ligging van deze gedempte waterloop dikker dan die in de omliggende grond en loopt de zandlaag aan twee kanten schuin weg de diepte in. Verder is deze waterloop opgevuld met gebiedseigen materiaal. Limus ziet hierin bevestiging van het vermoeden van het dagelijks bestuur dat daar een watergang heeft gelopen, welke conclusie wordt ondersteund door de verklaringen van de vorenbedoelde twee anderen.

Het dagelijks bestuur heeft met het verslag van het onderzoek en de verklaringen aannemelijk gemaakt dat de verbodsbepalingen in de artikelen 4.6 en 4.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Keur zijn overtreden. Er is geen aanleiding om deze getuigen in hoger beroep opnieuw te horen, zoals het dagelijks bestuur heeft verzocht.

2.3.2. Het betoog van [appellant] dat niet voldoende duidelijk was, welke maatregelen hij diende te nemen, faalt evenzeer. Volgens een memo van 4 december 2008 van het waterschap heeft een werknemer van het waterschap aan [appellant] ter plaatse uitgelegd, welke specifieke maatregelen hij diende te nemen om de last na te leven. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur gesteld dat met piketpalen is aangegeven, waar [appellant] diende te graven en is medegedeeld, tot welke diepte dit diende te gebeuren. De enkele ontkenning door [appellant] dat die mededelingen zijn gedaan, biedt onvoldoende aanleiding om niet aan te nemen dat ze zijn gedaan.

2.3.3. Nu de overtreding aannemelijk is en [appellant] heeft gesteld, noch aannemelijk gemaakt, dat die overtreding door een ander is begaan, mocht hij door het dagelijks bestuur als overtreder worden aangemerkt, zodat de kosten van de inmiddels toegepaste bestuursdwang op hem mogen worden verhaald. Dat het dagelijks bestuur, naar gesteld, gedurende langere tijd niet tegen de overtreding heeft opgetreden, hoeft voor hem geen aanleiding te zijn om van kostenverhaal af te zien. Daaraan kan niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat niet handhavend zou worden opgetreden.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

18-658.