Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN9519

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
201000869/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college aan Woonlindes Project B.V. onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een appartementengebouw op het binnenterrein achter de [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000869/1/H1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1],

2. Belangenvereniging Willemspark II, gevestigd te 's-Gravenhage (hierna: Willemspark),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 december 2009 in zaak nrs. 08/7874 en 08/8688 in het geding tussen:

1. [appellante sub 1],

2. [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], Willemspark, [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D], allen wonend, dan wel gevestigd, te 's-Gravenhage,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna:

het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college aan Woonlindes Project B.V. onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een appartementengebouw op het binnenterrein achter de [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft het de door onder meer [appellante sub 1] en Willemspark daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellante sub 1] en Willemspark en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2010, en Willemspark bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2010, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft de gronden aangevuld bij brief van 25 februari 2010.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

[appellante sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. L.C. de Jager, advocaat te Hoofddorp, Willemspark, vertegenwoordigd door W.L. Schotman, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het op te richten appartementengebouw bestaat uit drie bouwlagen met zes woningen en een via een hellingbaan te bereiken ondergrondse parkeergarage met zestien parkeerplaatsen. De op het binnenterrein staande bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

c. het bouwplan in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge het tweede lid mag slechts en moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond, als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, d, e, f of g, van toepassing is.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Archipelbuurt/Willemspark II" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van nijverheid, ambacht en handel, zoals werkplaatsen en kantoren, dienstwoningen, in deze bestemming passende andere bouwwerken en open ruimten, zoals opslagterreinen, los- en laadplaatsen, parkeergelegenheden en tuinen, evenwel met uitzondering van detailhandel en aanverwante dienstverlening, met dien verstande dat:

a. van de gronden niet meer dan het op de plankaart aangegeven percentage mag worden bebouwd;

b. de goothoogte van enig gebouw niet meer mag bedragen dan op de plankaart is aangegeven.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder a, met maximaal 20% en van het bepaalde onder b met maximaal 1 m.

2.4. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften. Teneinde realisering ervan niettemin mogelijk te kunnen maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) daarvan vrijstelling verleend.

2.5. Ingevolge die laatste bepaling kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf hun verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd, waarom het te realiseren project binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied past.

2.6. Ten tijde van het besluit van 17 oktober 2008 gold de door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit van 9 oktober 2007 vastgestelde en in het Provinciaal blad van Zuid-Holland (nr. 96) van 24 oktober 2007 gepubliceerde lijst met categorieën van gevallen, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Ingevolge deze lijst kan, voor zover thans van belang, vrijstelling worden verleend voor het bouwen ten behoeve van de woonfunctie.

Ingevolge de lijst wordt vrijstelling eerst verleend, nadat de verplichte watertoets, als bedoeld in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening, is uitgevoerd en positief advies van de waterbeheerder is ontvangen. Voorts mag voor gebieden die deel uitmaken van een beschermd stads- en dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet, slechts vrijstelling worden verleend na positief advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: RACM).

2.7. Het betoog van Willemspark dat de rechtbank heeft miskend dat de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit van 17 maart 2008 bepalend zijn voor de rechtmatigheid van de verleende vrijstelling en bouwvergunning, faalt. De rechtbank heeft het besluit van 17 oktober 2008 terecht getoetst aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde ervan.

2.8. Het betoog van Willemspark dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het bestemmingsplan niet heeft herzien, in plaats van vrijstelling te verlenen, faalt evenzeer, nu in artikel 19 van de WRO is voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid om voor een project vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen.

2.9. Ook het betoog van Willemspark dat de rechtbank heeft miskend dat het college vrijstelling en bouwvergunning eerste fase heeft verleend op basis van verouderde bouwtekeningen faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college vrijstelling en bouwvergunning eerste fase heeft verleend voor het op de bij het besluit van 17 maart 2008 behorende tekeningen aangegeven bouwplan.

2.10. Het betoog van Willemspark dat de rechtbank, door te overwegen dat het college bevoegd was om krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen, heeft miskend dat de brief van de RACM van 12 augustus 2008 geen positief advies inhoudt, faalt ook. Bij deze brief heeft de RACM ingestemd met het afgeven van een verklaring van geen bezwaar voor het bouwplan.

2.11. Voor zover Willemspark betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen juiste zogenoemde watertoets heeft uitgevoerd, wordt overwogen dat deze beroepsgrond voor het eerst in hoger beroep naar voren is gebracht. Nu het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is om aan te nemen dat deze grond niet bij de rechtbank kon worden aangevoerd, kan het aangevoerde niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.12. Anders dan [appellante sub 1] en Willemspark betogen, heeft de rechtbank in hun betoog dat het bouwplan ruim 90% van het perceel beslaat terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college geen vrijstelling mocht verlenen. De verleende vrijstelling ziet mede op de overschrijding van het maximale bebouwingspercentage, geregeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college terecht de oppervlakte van de ondergrondse bebouwing in aanmerking heeft genomen, doch de bovengrondse bebouwing bepalend heeft geacht voor de mate waarin de openheid van het binnenterrein wordt aangetast. De bovengrondse bebouwing overschrijdt het percentage dat ingevolge het bestemmingsplan na verlening van binnenplanse vrijstelling maximaal is toegestaan niet. De rechtbank heeft [appellante sub 1] en Willemspark terecht niet gevolgd in het betoog dat het college zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan minder massaal is dan de bestaande bebouwing, zodat meer openheid op het binnenterrein zal ontstaan.

2.13. Voor zover Willemspark betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 aan vrijstelling in de weg stond, wordt overwogen dat deze beroepsgrond voor het eerst in hoger beroep naar voren is gebracht. Nu het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is om aan te nemen dat deze grond niet bij de rechtbank kon worden aangevoerd, kan het aangevoerde niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.14. [appellante sub 1] en Willemspark betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat er een privaatrechtelijke belemmering is die aan vrijstelling in de weg stond. Daartoe stellen zij dat de bij notariële akte van 15 mei 1984 gevestigde erfdienstbaarheid slechts ziet op vrachtverkeer, zodat de toekomstige bewoners van de appartementen niet naar de Frederikstraat kunnen komen of daarvan kunnen gaan.

2.14.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1), is voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze evident is.

Bij inschrijving van notariële akte van 15 mei 1984 is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd, teneinde het komen van en het gaan naar de Frederikstraat te regelen. Nu tussen partijen verschil van mening bestaat over de vraag of deze erfdienstbaarheid al dan niet slechts ziet op vrachtverkeer, heeft de rechtbank met juistheid geen evidente privaatrechtelijke belemmering, die aan de vrijstelling in de weg stond, aangenomen.

Het betoog faalt.

2.15. De hoger beroepen zijn ongegrond.

2.16. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag heeft het college bij besluit van 10 december 2009 de bij besluit van 17 maart 2008 verleende bouwvergunning eerste fase herzien.

2.17. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2007 in zaak nr. 200702695/1), zijn, indien hangende een bezwaar- of beroepschriftenprocedure met betrekking tot een bouwvergunning bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan, waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is en geen nieuwe aanvraag om verlening van bouwvergunning nodig is.

2.18. Ter zitting heeft het college aan de hand van de bij het besluit van 10 december 2009 behorende bouwtekeningen toegelicht dat op elke bouwlaag de serres en terrassen aan de achterzijde van gebouw met elkaar zijn gewisseld. Voorts is de eerste bouwlaag aan de voorzijde uitgebreid binnen het als gevel aan te merken frame. De wijzigingen zien verder op de inrichting van het voorterrein. Daar is het hek bij de hellingbaan verplaatst en is een fietsenhok gewijzigd in een containerhok.

Anders dan Willemspark betoogt, zijn deze wijzigingen, zowel op zichzelf beschouwd, als bezien tegen het totale bouwplan, van ondergeschikte aard. Dit betekent dat de hoger beroepen van [appellante sub 1] en Willemspark geacht worden als beroepen te zijn gericht tegen het besluit van 10 december 2009.

2.18.1. Het betoog van Willemspark dat aan het besluit van 10 december 2009 ten onrechte geen positief advies van de RACM ten grondslag is gelegd, faalt. Het college mocht, gelet op de ondergeschikte wijzigingen van het bouwplan, volstaan met het positieve advies van RACM van 12 augustus 2008.

2.19. Het betoog van Willemspark dat het college de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet heeft aangepast naar aanleiding van het gewijzigde bouwplan, kan evenmin leiden tot het ermee beoogde doel, nu de wijzigingen van het bouwplan niet op de mate van inbreuk op het bestemmingsplan van invloed zijn.

2.20. Ten slotte betogen [appellante sub 1] en Willemspark dat het college zich niet op grond van het advies van de Welstands- en Monumentencommissie van de gemeente Den Haag (hierna: de welstandscommissie) van 2 december 2009 op het standpunt heeft mogen stellen dat het gewijzigde bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.20.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag een college van burgemeester en wethouders, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het volgen van een welstandsadvies geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook die omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derdebelanghebbende.

2.20.2. Aan het besluit van 10 december 2009 heeft het college het positieve advies van de welstandscommissie van 2 december 2009 ten grondslag gelegd. Hetgeen [appellante sub 1] en Willemspark betogen, geeft geen grond voor het oordeel dat dit advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college daarop niet mocht afgaan. Voorts hebben zij geen bericht van een andere deskundig te achten persoon of instantie overgelegd, ten betoge dat dat advies niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Het college heeft dit advies dan ook aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mogen leggen.

Het betoog faalt.

2.21. De beroepen tegen het besluit van 10 december 2009 zijn ongegrond.

2.22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van

10 december 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010

531.