Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN6987

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
201001783/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2005 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom aangeschreven zijn vaartuig, afgemeerd in de Kromme Mijdrecht op de [locatie] in de gemeente De Ronde Venen, te verwijderen en af te voeren naar een niet met de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 (hierna: de Vnl) strijdige locatie, de daarvoor getroffen voorzieningen te verwijderen en af te voeren en de oever in de oorspronkelijke staat te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2011/12 met annotatie van L.J.M. Timmermans
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/3583
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001783/1/H3.

Datum uitspraak: 15 september 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 januari 2010 in zaak nr. 08/3388 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2005 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom aangeschreven zijn vaartuig, afgemeerd in de Kromme Mijdrecht op de [locatie] in de gemeente De Ronde Venen, te verwijderen en af te voeren naar een niet met de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 (hierna: de Vnl) strijdige locatie, de daarvoor getroffen voorzieningen te verwijderen en af te voeren en de oever in de oorspronkelijke staat te herstellen.

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college opnieuw beslissend het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar voor zover het betreft de oplegging van een last onder dwangsom voor het hebben van een aanlegplaats en daarmee verband houdende voorzieningen gegrond verklaard en het besluit in zoverre herroepen en voor het overige onder verlenging van de begunstigingstermijn ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 januari 2010, verzonden op 7 januari 2010, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 oktober 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend alsmede een nader stuk.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L. van Steenoven en ing. F.P.N. Spit, beiden werkzaam bij de provincie, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7h, eerste lid, van de Vnl is het de zakelijk gerechtigde tot en de bezitter, houder of gebruiker van een vaartuig of ander voorwerp, niet zijnde een woonschip, verboden dat vaartuig of voorwerp ligplaats te laten nemen, te ankeren of te meren, of anderszins in een water te plaatsen op andere plaatsen dan aangegeven met een van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement.

Ingevolge artikel 7h, vierde lid, is het verbod niet van toepassing met betrekking tot één open vaartuig van ten hoogste zeven meter lengte bij een erf.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, is deze verordening van toepassing op het gedeelte van het grondgebied van de in de provincie Utrecht gelegen gemeenten dat zich bevindt buiten de grenzen van de bebouwde kom, zoals deze ingevolge het bepaalde in artikel 27 van de Wegenwet door gedeputeerde staten zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, kunnen gedeputeerde straten ontheffing verlenen van de in deze verordening gestelde verboden.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, worden ontheffingen krachtens deze verordening verleend indien als gevolg van hetgeen daarbij wordt toegestaan natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke waarden niet onaanvaardbaar worden geschaad.

2.2. Het college heeft [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom aangeschreven zijn vaartuig te verwijderen, omdat hij het vaartuig heeft afgemeerd op een met de Vnl strijdige locatie. Voor het afmeren van het vaartuig kan geen ontheffing worden verleend, zodat geen concreet zicht bestaat op legalisatie, aldus het college.

2.3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Zij heeft daarbij overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het alleen [wederpartij], bij wijze van test case, heeft aangeschreven en andere eigenaren van vaartuigen in de Kromme Mijdrecht niet. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van een aanpak dan wel van enige prioriteitsstelling in de aanpak van vaartuigen ten tijde van het besluit op bezwaar.

2.4. Het college heeft hiertegen aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in het feit dat geen gedoogbeschikkingen zijn afgegeven en dat pas te zijner tijd ook andere eigenaren zullen worden aangeschreven, reden heeft gezien het door [wederpartij] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel te laten slagen. De rechtbank is eveneens ten onrechte voorbij gegaan aan hetgeen in de Handhavingsstrategie Grijze en Groene wet- en regelgeving 2005-2008 (hierna: de Handhavingsstrategie) staat over de aanpak van vaartuigen die zijn afgemeerd op een met de Vnl strijdige locatie, aldus het college.

2.4.1. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.2. Niet in geschil is dat het meren van het vaartuig op de [locatie] te [plaats] in strijd is met de Vnl, zodat het college ter zake handhavend kon optreden. Ook niet in geschil is dat het college voldoende heeft beargumenteerd dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.4.3. In de Handhavingsstrategie staat onder meer vermeld dat de gebieden met de hoogste natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden frequenter zullen worden gecontroleerd en dat voorts de controle wordt afgestemd op de seizoenen. Vanwege het beperkte aantal toezichthouders en de arbeidsintensiteit van de controles, heeft het college gekozen voor een gefaseerde handhaving. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Niet weersproken is dat het college verspreid over de hele provincie sinds de vaststelling van de Handhavingsstrategie ongeveer een honderdtal gevallen heeft aangeschreven. Zoals de vertegenwoordiger van het college ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd, heeft het college aan de hand van luchtfoto's de meest in het oog springende vaartuigen uitgezocht om als eerste aan te schrijven. Vanwege de lengte van ruim meer dan zeven meter, de witte kleur en de gesloten overkapping van het vaartuig van [wederpartij], is hij als eerste eigenaar van een vaartuig in de Kromme Mijdrecht aangeschreven.

Het college heeft het voornemen geuit om ook te gaan optreden tegen de andere in strijd met de Vnl afgemeerde vaartuigen in de Kromme Mijdrecht. Dit voornemen spoort met de omstandigheid dat provinciale staten bewust hebben afgezien van het opnemen van overgangsrecht, bijvoorbeeld een uitsterfregeling, en met het feit dat het college geen gedoogbeschikkingen heeft afgegeven voor die andere in overtreding zijnde gevallen. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende aangetoond dat het tot handhaving van die andere gevallen over zal gaan indien blijkt dat zijn aanpak in rechte stand kan houden. Dit en wat in de Handhavingsstrategie is opgenomen over een gefaseerde handhaving in aanmerking nemende, is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college niet, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in dit geval tot handhaving is overgegaan.

Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het besluit op bezwaar vernietigd dient te worden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.4.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de overige gronden van het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2008 van het college beoordelen, voor zover die in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen nog van belang zijn.

2.5. [wederpartij] heeft in beroep aangevoerd dat het college ten onrechte geen individuele belangenafweging heeft verricht, en er geen rekening mee heeft gehouden dat de aanschrijving een ernstige beperking van zijn eigendomsrecht met zich brengt.

2.5.1. Deze grond slaagt niet.

In de in het besluit op bezwaar gemaakte afweging heeft het college betrokken dat [wederpartij], nu de begunstigingstermijn is opgeschoven tot na het onherroepelijk worden van het besluit, voldoende gelegenheid heeft om een andere ligplaats te vinden voor zijn vaartuig, dat de kosten van verwijdering van het vaartuig niet onevenredig zijn en dat hij nog steeds een vaartuig kan afmeren aan zijn eigen erf mits in overeenstemming met de Vnl.

Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat het college de individuele belangen van [wederpartij] niet heeft betrokken bij de gemaakte belangenafweging.

Het college heeft zich bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van [wederpartij] niet zodanig zijn dat van handhaving moet worden afgezien.

2.5.2. Het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 januari 2010 in zaak nr. 08/3388;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010

290.