Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN6142

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
200909237/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de handel in tweedehands kleding en de inkoop, opslag, ompakking en verkoop van consumentenvuurwerk gelegen aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/44 met annotatie van A. Collignon
Milieurecht Totaal 2010/1908
JM 2010/101 met annotatie van de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909237/1/M2.

Datum uitspraak: 8 september 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de handel in tweedehands kleding en de inkoop, opslag, ompakking en verkoop van consumentenvuurwerk gelegen aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2009, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2010, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant] en [gemachtigde] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door C.L. Aben, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 23 november 2007 is aan [vergunninghouder] een oprichtingsvergunning verleend voor de handel in tweedehands kleding en opslag/verkoop van vuurwerk in het pand [locatie] te [plaats]. Bij uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009, in zaak nr. 200800560/1 is dit besluit vernietigd. Naar het oordeel van de Afdeling had het college onvoldoende onderzocht of de in bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit voorgeschreven afstanden ten aanzien van enkele lesruimten op de eerste verdieping van het pand, in acht werden genomen.

Naar aanleiding van die uitspraak is de vergunningaanvraag gewijzigd in die zin dat de inrichting tevens de lesruimten op de eerste verdieping van het pand omvat.

Bij het bestreden besluit is voor de aldus uitgebreide inrichting opnieuw een oprichtingsvergunning verleend. Op grond van de vergunning mag maximaal 4.387 kg consumentenvuurwerk worden opgeslagen.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat het college een nieuw ontwerpbesluit had moeten opstellen en ter inzage moeten leggen, omdat de vergunningaanvraag wezenlijk is veranderd ten opzichte van de aanvraag die heeft geleid tot het besluit van 23 november 2007.

2.2.1. In geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter staat het het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het opnieuw in de zaak voorzien terug te vallen op de procedure die aan het besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit het oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en de ernst van de gebreken die tot de vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerste procedure, en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

2.2.2. De wijziging van de vergunningaanvraag behelst het geven van Chinese les in lesruimten op de eerste verdieping van het pand. Deze wijziging heeft geen milieunadelige gevolgen. Verder zijn onder meer [appellant] en anderen door het college per brief op de hoogte gebracht van de desbetreffende wijzigingen. Onder deze omstandigheden kon het college het opstellen van een nieuw ontwerpbesluit in redelijkheid achterwege laten.

De beroepsgrond faalt.

2.2.3. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de melding van de uitbreiding van de inrichting met de lesruimten, zoals deze bij het college in juni 2008 is ingediend, niet had mogen worden behandeld omdat de onderliggende vergunning was vernietigd, overweegt de Afdeling dat bij het nemen van het bestreden besluit niet op de melding is beslist.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] en anderen stellen dat de inrichting in een woongebied ligt,waar geen vuurwerk behoort te worden opgeslagen en verkocht. In dat verband betogen zij tevens dat er strijd is met het geldende bestemmingsplan.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie een vergunning kan worden verleend. De vergunning kan niet worden geweigerd op grond van het enkele feit dat de locatie minder geschikt zou moeten worden geacht voor de uitoefening van de aangevraagde activiteiten.

2.3.2. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.3.3. Ingevolge het bestemmingsplan "2J" rust op de locatie waar de inrichting is gevestigd de bestemming "bedrijventerrein". In aanvulling daarop zijn op grond van het bestemmingplan "Parapluherziening opslag en verkoop vuurwerk" de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk op dit bedrijventerrein toegestaan. De verkoop van tweedehands kleding is op grond van het bestemmingsplan "2J" slechts als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan. De verkoop van tweedehands kleding kan in dit geval als ondergeschikte nevenactiviteit worden aangemerkt, omdat deze activiteit blijkens de aanvraag hoofdzakelijk bij verenigingen en particulieren thuis en slechts incidenteel in de inrichting plaatsvindt. In zoverre bestaat geen strijd met het bestemmingsplan "2J". Het geven van lessen is op grond van dit plan niet toegestaan. Hiervoor is op 2 september 2009 een ontheffing verleend. Onder deze omstandigheden heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat de vergunning niet op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer behoefde te worden geweigerd.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan "2J" had moeten worden herzien, overweegt de Afdeling dat de vraag of dit bestemmingsplan zou moeten worden herzien in dit geding niet ter beoordeling staat.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] en anderen voeren aan dat de lesruimten op de eerste verdieping van het pand een kwetsbaar object, als bedoeld in het Vuurwerkbesluit, vormen, zodat niet wordt voldaan aan de in dat besluit opgenomen veiligheidsafstanden, en het college de gevraagde vergunning op grond daarvan had moeten weigeren.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de lesruimten niet als een kwetsbaar object kunnen worden beschouwd, omdat deze onderdeel uitmaken van de inrichting. Bovendien volgt uit de vergunningvoorschriften dat tijdens de aanwezigheid van vuurwerk binnen de inrichting geen les mag worden gegeven, aldus het college.

2.4.2. Ingevolge artikel 2.2.2 van het Vuurwerkbesluit voldoet degene die een inrichting drijft waar meer dan 1.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3.

2.4.3. Blijkens de plattegrondtekening die als aanvulling van de vergunningaanvraag op 8 oktober 2009 bij het college is ingediend, wordt vergunning gevraagd voor een inrichting die mede de lesruimten op de eerste verdieping van het desbetreffende pand omvat. Het feit dat verschillende activiteiten worden aangevraagd maakt niet dat sprake is van twee of meer zelfstandige inrichtingen. Nu daarvan ook overigens niet is gebleken heeft het college de lesruimten, overeenkomstig de vergunningaanvraag, terecht als onderdeel van de inrichting aangemerkt. De in bijlage 3 bij het Vuurwerkbesluit genoemde veiligheidsafstanden hebben uitsluitend betrekking op afstanden die moeten worden aangehouden tot buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten. Reeds hierom zijn de afstandeisen niet van toepassing op de desbetreffende lesruimten. Het college is daar terecht van uitgegaan.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] en anderen stellen dat het voortijdig afsteken van vuurwerk in de omgeving van de inrichting tot onaanvaardbare geluidhinder leidt. Volgens hen is dit een direct gevolg van de verkoop, zodat deze verkoop niet had mogen worden toegestaan.

2.5.1. Het college is bij de beoordeling van de gevraagde vergunning gehouden de milieugevolgen van het in werking zijn van de inrichting te beoordelen. In dat kader kan geen rekening worden gehouden met de gevolgen die los van het in werking zijn van de inrichting zijn verbonden aan het gebruik van vuurwerk elders in de omgeving. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] en anderen betogen dat de vergunning dient te worden ingetrokken met toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

2.6.1. In deze procedure staat alleen het besluit tot het verlenen van de vergunning ter beoordeling. Of deze vergunning zou moeten worden ingetrokken is in deze procedure niet aan de orde.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010

375-628.