Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN5937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
201007529/3/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublinverordening /Italië / interstatelijk vertrouwensbeginsel / vovo toegewezen

De minister heeft ter zitting onder meer gesteld dat de President van het EHRM ten aanzien van overdrachten aan Italië nog steeds, zoals ook zeer recent een aantal keren is gebeurd, verzoeken om interim measures afwijst en daarbij heeft aangegeven dat de klacht van de desbetreffende vreemdeling over de omstandigheden in Italië bij de autoriteiten in dat land naar voren moeten worden gebracht. Mede gelet hierop ziet de voorzitter in hetgeen de vreemdeling aanvoert geen grond om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vreemdeling niet aan Italië overgedragen mag worden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening, als verzocht, bestaat derhalve geen aanleiding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/402

Uitspraak

201007529/3/V3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2010 in zaak nr. 09/39714 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 9 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 augustus 2010, verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet naar Italië zal worden uitgezet zolang niet op zijn hoger beroep is beslist.

Bij uitspraak van 23 augustus 2010 in zaak nr. 201007529/2/V3 heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet totdat na behandeling van het verzoek ter zitting uitspraak is gedaan.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 augustus 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter beoordeling staat de vraag of er aanleiding bestaat het verzoek van de vreemdeling om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet mag worden uitgezet naar Italië totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist, toe te wijzen. De vreemdeling betoogt in dit verband dat ten opzichte van Italië niet langer aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden vastgehouden. Daarbij wijst hij op het ontbreken van opvangvoorzieningen en de wijze van afhandelen van asielaanvragen in Italië en op door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) getroffen interim measures, waaronder in een aantal Nederlandse zaken. Verder voert hij aan dat de door het Court of Appeal van Engeland en Wales op 12 augustus 2010 gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de reikwijdte van artikel 3, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, aan zijn uitzetting in de weg staan.

2.2. De minister heeft ter zitting onder meer gesteld dat de President van het EHRM ten aanzien van overdrachten aan Italië nog steeds, zoals ook zeer recent een aantal keren is gebeurd, verzoeken om interim measures afwijst en daarbij heeft aangegeven dat de klacht van de desbetreffende vreemdeling over de omstandigheden in Italië bij de autoriteiten in dat land naar voren moeten worden gebracht. Mede gelet hierop ziet de voorzitter in hetgeen de vreemdeling aanvoert geen grond om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vreemdeling niet aan Italië overgedragen mag worden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening, als verzocht, bestaat derhalve geen aanleiding.

2.3. Gelet op voornoemde uitspraak van 23 augustus 2010 ziet de voorzitter evenwel aanleiding de minister op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af;

II. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins de Vin

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2010

373-550.

Verzonden: 31 augustus 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser