Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN5935

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
201006824/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / onjuist tijdstip in proces-verbaal / strafvorderlijke bevoegdheid / bevoegdheid vreemdelingenrechter

In het besluit van 23 juni 2010 is vermeld dat de maatregel van bewaring die dag om 17.45 uur is opgelegd.

Uit het bovenstaande volgt dat de vreemdelingenpolitie eerst op 23 juni 2010 om 16.55 uur in kennis is gesteld van het niet rechtmatig verblijf van de vreemdeling hier te lande en dat hij toen direct is staande gehouden.

Hoewel, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 februari 2010 in zaak nr. 201000135/1 (www.raadvanstate.nl), in beginsel van de juistheid en volledigheid van het op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal dient te worden uitgegaan, dient de vermelding in het proces-verbaal dat de vreemdeling op 23 juni 2010 om 16.23 uur in bewaring is gesteld, in het licht van het tijdstip waarop de vreemdeling is staande gehouden en het tijdstip waarop volgens het besluit van 23 juni 2010 de bewaring is opgelegd, voor onjuist te worden gehouden. De klacht is derhalve terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001 in zaak nr. 200102650/1; JV 2001/234), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

De vreemdeling is op 23 juni 2010 om 16.55 uur direct aansluitend aan zijn strafrechtelijke invrijheidstelling staande gehouden. Of de jegens de vreemdeling aan de staandehouding voorafgaande strafvorderlijke bevoegdheden rechtmatig zijn aangewend staat niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. Niet is gesteld dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van die bevoegdheden heeft vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/398

Uitspraak

201006824/1/V3.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 13 juli 2010 in zaak nr. 10/22590 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (lees: de minister van Justitie).

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling klaagt onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij hem niet volgt in zijn betoog dat geen juridische titel voor zijn detentie aanwezig was in de periode tussen de strafrechtelijke detentie en het opleggen van de maatregel van bewaring, nu uit het op ambtsbelofte aanvullend opgemaakt proces-verbaal van 5 juli 2010 (hierna: het proces verbaal) blijkt dat hij aansluitend aan zijn strafrechtelijke detentie op 23 juni 2010 om 16.23 uur in bewaring is gesteld. Volgens de vreemdeling is de rechtbank, nu de vreemdelingenpolitie op 23 juni 2010 eerst om 16.55 uur van zijn onrechtmatig verblijf in kennis is gesteld en hij toen meteen is staande gehouden, ten onrechte uitgegaan van het tijdstip vermeld in het proces-verbaal.

2.1.1. In het proces verbaal is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld.

"Op woensdag 23 juni 2010 te 16.23 uur heeft de PI Zwaag een fax van het arrondissementsparket Amsterdam ontvangen dat de vreemdeling onmiddellijk in vrijheid gesteld dient te worden. De vreemdeling verblijft echter onrechtmatig in Nederland derhalve is de vreemdelingenpolitie op woensdag 23 juni 2010 te 16.55 uur telefonisch in kennis gesteld. De dienstdoende hulpofficier van Justitie (…) van de vreemdelingenpolitie heeft de vreemdeling te 17.45 uur op afstand in bewaring gesteld terwijl de vreemdeling nog in Huis van Bewaring Zwaag verbleef.

(…).

Door de plotselinge invrijheidheidstelling van de vreemdeling op een tijdstip laat in de middag en de daarbij gepaarde transportaanvraag van PI Zwaag naar bureau vreemdelingenpolitie Amsterdam is abusievelijk een verkeerd tijdstip inbewaringstelling gebruikt. Het juiste tijdstip van de inbewaringstelling moet zijn: 23 juni 2010 om 16.23 uur."

Volgens het formulier "Melding vreemdelingenpiket (model HV04)" van 25 juni 2010 van de korpschef van regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland is de vreemdeling op 23 juni 2010 om 16.55 uur staande gehouden.

In het besluit van 23 juni 2010 is vermeld dat de maatregel van bewaring die dag om 17.45 uur is opgelegd.

2.1.2. Uit het bovenstaande volgt dat de vreemdelingenpolitie eerst op 23 juni 2010 om 16.55 uur in kennis is gesteld van het niet rechtmatig verblijf van de vreemdeling hier te lande en dat hij toen direct is staande gehouden.

Hoewel, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 februari 2010 in zaak nr. 201000135/1 (www.raadvanstate.nl), in beginsel van de juistheid en volledigheid van het op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal dient te worden uitgegaan, dient de vermelding in het proces-verbaal dat de vreemdeling op 23 juni 2010 om 16.23 uur in bewaring is gesteld, in het licht van het tijdstip waarop de vreemdeling is staande gehouden en het tijdstip waarop volgens het besluit van 23 juni 2010 de bewaring is opgelegd, voor onjuist te worden gehouden. De klacht is derhalve terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001 in zaak nr. 200102650/1; JV 2001/234), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

2.1.4. De vreemdeling is op 23 juni 2010 om 16.55 uur direct aansluitend aan zijn strafrechtelijke invrijheidstelling staande gehouden. Of de jegens de vreemdeling aan de staandehouding voorafgaande strafvorderlijke bevoegdheden rechtmatig zijn aangewend staat niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. Niet is gesteld dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van die bevoegdheden heeft vastgesteld.

2.2. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2010 in zaak nr. 201005930/1/V3 (ter voorlichting van partijen aangehecht), geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Bakker

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

395.

Verzonden: 25 augustus 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser