Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN5927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
201002874/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublinverordening / minderjarige die de asielzoeker vergezelt / onderzoeksplicht of medische situatie dochter overdracht aan Italië in de weg staat

In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de overdracht van de dochter van de vreemdeling aan Italië medisch onverantwoord is en het op zijn weg had gelegen om eerst het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) te laten onderzoeken of de medische situatie van haar dochter overdracht naar Italië überhaupt toelaat, en zo ja, of aldaar aan alle medische noodzakelijke voorwaarden wordt voldaan, alvorens een besluit op de aanvraag te nemen.

Gelet op de door de vreemdeling overgelegde medische gegevens, is er grond voor het oordeel dat het in het onderhavige geval op de weg van de minister had gelegen om eerst het BMA te laten onderzoeken of de medische situatie van haar dochter de overdracht aan Italië toelaat, en zo ja, onder welke voorwaarden deze overdracht dient plaats te vinden, alvorens een besluit op de aanvraag te nemen. Uit de overgelegde gegevens volgt immers dat de dochter van de vreemdeling verstandelijk en lichamelijk gehandicapt is, last heeft van epileptische aanvallen en lijdt aan een combinatie van verschijnselen die kunnen duiden op het zeldzame Cornelia de Lange-syndroom. Wegens deze diagnose is volgens de behandelend specialist adequate medische zorg door een kinderarts en een neuroloog van groot belang en moet een persoonlijke medische overdracht plaats kunnen vinden.

De grief faalt in zoverre.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/400
Ars Aequi RV20100012 met annotatie van A. Hekman

Uitspraak

201002874/1/V3.

Datum uitspraak: 30 augustus 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) van 25 februari 2010 in zaak nr. 09/41797 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind, (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris van Justitie (lees: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 2 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat Italië zich verantwoordelijk stelt voor de dochter van de vreemdeling en de voortzetting van haar medische behandeling, nu de Italiaanse autoriteiten niet gereageerd hebben op het verzoek van de staatssecretaris van 30 oktober 2009 om de verantwoordelijkheid ten aanzien van de dochter van de vreemdeling te bevestigen. Hiermee heeft zij volgens de minister artikel 4, derde lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) miskend.

2.1.1. Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Verordening is voor de toepassing van deze verordening de situatie van de minderjarige die de asielzoeker vergezelt en onder de in artikel 2, onder i), geformuleerde definitie van gezinslid valt, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens ouder of voogd; deze valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van die ouder of voogd, ook al is de minderjarige zelf geen individuele asielzoeker.

2.1.2. De staatssecretaris heeft Italië op 25 mei 2009 op de voet van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Verordening om terugname van de vreemdeling verzocht. Daarbij is vermeld dat de vreemdeling een minderjarige dochter, geboren op [datum] 2000, heeft en het verzoek ook op haar betrekking heeft. De Italiaanse autoriteiten hebben op het terugnameverzoek niet tijdig gereageerd. Daarmee wordt Italië op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening geacht met de terugname te hebben ingestemd. Italië heeft voorts bij brief van 31 juli 2009 meegedeeld het terugnameverzoek op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de Verordening te aanvaarden.

Nu Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling, valt haar minderjarige dochter, gelet op artikel 4, derde lid, van de Verordening, eveneens onder verantwoordelijkheid van dat land. Dat de Italiaanse autoriteiten niet kenbaar hebben gereageerd op het verzoek van de staatssecretaris van 30 oktober 2009, laat de verantwoordelijkheid van de Italiaanse autoriteiten voor de minderjarige dochter van de vreemdeling op grond van voormelde bepaling van de Verordening onverlet.

De in de tweede grief vervatte klacht is derhalve terecht voorgedragen maar de grief kan, gelet op het hieronder in 2.2.3. overwogene, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.2. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de overdracht van de dochter van de vreemdeling aan Italië medisch onverantwoord is en het op zijn weg had gelegen om eerst het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) te laten onderzoeken of de medische situatie van haar dochter overdracht naar Italië überhaupt toelaat, en zo ja, of aldaar aan alle medische noodzakelijke voorwaarden wordt voldaan, alvorens een besluit op de aanvraag te nemen.

Daartoe voert de minister, samengevat weergegeven, aan dat volgens paragraaf C3/2.3.6.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten en het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaat dat die voorzieningen in de lidstaten - indien geïndiceerd - ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. De vreemdeling heeft niet met concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt in haar geval niet opgaat. Indien de vreemdeling van mening is dat haar dochter niet mee kan reizen naar Italië, kan door haar een beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 worden gedaan, aldus de minister.

2.2.1. Volgens paragraaf C3/2.3.6.4. van de Vc 2000 kan de minister, indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, ook in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Welke aspecten in dit kader een rol kunnen spelen, is niet zonder meer te duiden nu het met name zal gaan om de omstandigheden van het geval en in hoeverre deze bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat voortzetting van de Dublinprocedure als onevenredig hard moet worden beschouwd. Daarbij is de enkele aanwezigheid van medische aspecten niet voldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden, omdat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten en het interstatelijk vertrouwensbeginsel er eveneens vanuit gaat dat de voorzieningen in de lidstaten - indien geïndiceerd - ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. Dit lijdt slechts uitzondering indien de vreemdeling met concrete aanwijzingen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat, aldus de Vc 2000.

2.2.2. Volgens het hiervoor weergegeven beleid kan de aanwezigheid van medische omstandigheden slechts aanleiding geven voor toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening, indien de vreemdeling met concrete aanwijzingen aannemelijk maakt dat het in het beleid weergegeven uitgangspunt in haar geval niet opgaat.

2.2.3. Gelet op de door de vreemdeling overgelegde medische gegevens, is er grond voor het oordeel dat het in het onderhavige geval op de weg van de minister had gelegen om eerst het BMA te laten onderzoeken of de medische situatie van haar dochter de overdracht aan Italië toelaat, en zo ja, onder welke voorwaarden deze overdracht dient plaats te vinden, alvorens een besluit op de aanvraag te nemen. Uit de overgelegde gegevens volgt immers dat de dochter van de vreemdeling verstandelijk en lichamelijk gehandicapt is, last heeft van epileptische aanvallen en lijdt aan een combinatie van verschijnselen die kunnen duiden op het zeldzame Cornelia de Lange-syndroom. Wegens deze diagnose is volgens de behandelend specialist adequate medische zorg door een kinderarts en een neuroloog van groot belang en moet een persoonlijke medische overdracht plaats kunnen vinden.

De grief faalt in zoverre.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Hetgeen de minister overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

2.4. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2010

373-550.

Verzonden: 30 augustus 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser