Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN5712

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
201002780/6/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied SpaarneBuiten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201002780/6/R1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster A] en [verzoeker B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats], en [verzoeker C], wonend te [woonplaats], (hierna: [verzoekers],

en

de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied SpaarneBuiten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2010, beroep ingesteld.

[verzoekers] hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 15 april 2010. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers], de raad en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 augustus 2010, waar [verzoekers], in de persoon van respectievelijk vertegenwoordigd door mr. K. van der Leij, advocaat te Hoofddorp, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, en M.E. Driessen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. H.C. Lagrouw, advocaat te Amsterdam, en ir. M. Otten.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan heeft betrekking op het bedrijventerrein van Koninklijke Volker Wessels Stevin dat ten zuiden van het dorp Spaarndam ligt. Het plan heeft tot doel om dit terrein te herontwikkelen tot een nieuw woongebied met ongeveer 320 woningen, enkele commerciële voorzieningen, een jachthaven en een groengebied.

2.3. De raad en [belanghebbende] hebben betoogd dat een spoedeisend belang ontbreekt, omdat het verzoek om voorlopige voorziening enkel is gericht tegen de plandelen waarvoor inmiddels twee bouwvergunningen voor in totaal 77 woningen zijn verleend en dat van die bouwvergunningen gebruik kan worden gemaakt. Nu de besluiten tot afgifte van die vergunningen zijn voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) staat naar hun mening tegen die besluiten beroep open bij de rechtbank. De rechtbank dient naar hun mening te beoordelen of het recht is toegepast zoals dat gold ten tijde van het nemen van die besluiten. Een eventuele, na de datum van die besluiten tot afgifte van de bouwvergunningen uitgesproken schorsing van het voorliggende plan zal volgens hen geen invloed kunnen hebben op die beoordeling.

2.3.1. De voorzitter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening weliswaar is ingegeven door de besluiten tot afgifte van de twee bouwvergunningen voor 77 woningen in het plangebied, maar dat het verzoek niet is beperkt tot de plandelen die voorzien in de bouw van die woningen. Het is gericht op schorsing van het gehele plan.

Voorts kan uit de stukken worden afgeleid dat de bouwaanvragen voor de 77 woningen dateren van respectievelijk 30 januari en 20 maart 2008. Ten tijde van de indiening van deze aanvragen was het voorliggende plan nog niet in procedure gebracht. Ten behoeve van de realisering van het project is de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gestart. Uit de stukken kan voorts worden afgeleid dat in ieder geval met betrekking tot het voornemen om vrijstelling van het geldende bestemmingsplan op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen de zogeheten uniforme openbare voorbereidingsprocedure is gevolgd, in welk kader een ontwerp-besluit ter inzage is gelegd, waartegen een zienswijze kon worden ingediend. Uit de stukken kan evenwel tevens worden afgeleid dat deze procedure kennelijk niet is voortgezet, nu bij besluiten van 1 juni 2010 zonder dat van de in gang gezette vrijstellingsprocedure gebruik is gemaakt bouwvergunning is verleend op grond van het onderhavige plan. Naar het oordeel van de voorzitter kan er niet zondermeer van worden uitgegaan dat onder deze omstandigheden mede uit een oogpunt van een effectieve rechtsbescherming tegen deze besluiten geen bezwaar heeft opengestaan. Nu verzoekers - overigens geheel overeenkomstig de daartoe gedane bekendmaking van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarndam - tegen de besluiten van 1 juni 2010 tijdig bezwaar hebben gemaakt en bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening hangende de beslissing op bezwaar hebben ingediend, neemt de voorzitter in verband hiermee aan dat [verzoekers] een spoedeisend belang hebben bij een schorsing van de plandelen die voorzien in de bouw van 77 woningen. Het betoog van de raad dat [verzoekers] binnen de beroepstermijn voor het bestemmingsplan een verzoek om voorlopige voorziening hadden kunnen en moeten vragen en dat zij, nu zij dit hebben nagelaten, ook om die reden geen spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening, faalt, omdat de wetgever de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening niet heeft beperkt tot de beroepstermijn.

Nu voorts [belanghebbende] ter zitting heeft verklaard dat de aanvragen om bouwvergunning voor de overige woningen in het plangebied worden voorbereid en binnen afzienbare tijd zullen worden ingediend en uitvoering van het plan onomkeerbare gevolgen voor het gebied met zich brengt, acht de voorzitter voor het gehele plan een spoedeisend belang aanwezig.

2.4. [verzoekers] voeren aan dat het aanvullende rapport "Beoordeling verkeersmaatregelen SpaarneBuiten" van Goudappel Coffeng van 22 december 2009 (hierna: het aanvullend rapport) ten onrechte niet ter inzage is gelegd.

2.4.1. Vanaf 8 oktober 2009 heeft het ontwerpplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is - voor zover hier van belang - bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het ambtshalve te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, ter inzage legt. Het aanvullend rapport was ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan nog niet voorhanden, zodat artikel 3:11, eerste lid, van de Awb hierop niet van toepassing is. De voorzitter ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad uit een oogpunt van zorgvuldigheid alsnog gelegenheid had moeten bieden te reageren op het aanvullend rapport. Overigens hebben [verzoekers] hun bezwaren tegen het aanvullend rapport alsnog in beroep naar voren kunnen brengen.

2.5. [verzoekers] voeren verder aan dat de verkeersaantrekkende werking van het plan leidt tot onaanvaardbare verkeersdrukte en aantasting van de verkeersveiligheid op de wegen vanuit en naar het plangebied.

2.5.1. Volgens de plantoelichting kan het verkeer dat door de nieuwe wijk SpaarneBuiten wordt gegenereerd niet zonder ingrepen afgewikkeld worden op de bestaande wegen. Uit de verkeersonderzoeken blijkt tevens dat in en rond Spaarndam een aanzienlijke problematiek met doorgaand verkeer speelt. Vooral tijdens de spitsuren is er sluipverkeer. Een combinatie van het weren van sluipverkeer door middel van het plaatsen van flitspalen en het treffen van maatregelen aan de diverse wegen rondom het plangebied, zoals het realiseren van een vrijliggend fietspad aan de Lageweg en Lagedijk, moet ervoor zorgen dat een aanvaardbare verkeerssituatie ontstaat.

2.5.2. In het aanvullend rapport is een beoordeling opgenomen van het wegennet in de omgeving van het plangebied waarbij rekening is gehouden met de in de plantoelichting genoemde maatregelen. Uit het aanvullend rapport volgt dat de Lagedijk, die vanaf de oostzijde van het plangebied naar Penningsveer loopt, een smalle weg buiten de bebouwde kom is die in slechte staat verkeert en veel bermschade heeft. Het huidige profiel van de weg is volgens dat aanvullend rapport niet geschikt voor de afwikkeling van de huidige verkeersintensiteiten en een toename van de verkeersintensiteiten ten gevolge van het plan acht het aanvullend rapport bij het huidige dwarsprofiel van de weg dan ook niet wenselijk. De Lagedijk zal zodanig moeten worden aangepast dat de weg beter geschikt is voor het verwerken van bestaande en de te verwachten verkeersintensiteiten. De route Spaarndammerdijk - IJdijk - Visserseinde - Slaperdijkweg voert dwars door Spaarndam West en is volgens het aanvullend rapport van wisselende breedte, waarbij op de smalste stukken door geparkeerde auto's slechts één voertuig tegelijkertijd kan passeren. Ondanks de afname van het autoverkeer van 1% door het weren van het autoverkeer in de spitsuren blijft de route door Spaarndam West drukker dan op een weg met een krap profiel en zonder voetgangersvoorzieningen wenselijk is, aldus het aanvullend rapport.

Hetgeen de raad en [belanghebbende] ter zitting hebben aangevoerd heeft de voorzitter er niet van overtuigd dat de in de plantoelichting genoemde maatregelen ertoe zullen leiden dat bij uitvoering van het plan een aanvaardbare verkeerssituatie zal ontstaan op de wegen vanuit en naar het plangebied. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting van de zijde van de raad is medegedeeld dat onder meer de Spaarndammerdijk en de IJdijk in eigendom zijn van en grotendeels onderhouden worden door het waterschap en dat het dwarsprofiel van deze wegen niet kan worden verbeterd, omdat het wegen zijn die op een dijk liggen. Ook is onduidelijk gebleven hoe bij het plaatsen van flitspalen om het doorgaand autoverkeer tijdens de spitsuren uit de kern van Spaarndam West te weren, voorkomen wordt dat die kern ontoegankelijk wordt voor bestemmingsverkeer. De voorzitter acht nader onderzoek aangewezen, waartoe de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent. De voorzitter merkt daarbij op dat reeds aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is gevraagd een deskundigenbericht uit te brengen en dat dit deskundigenbericht nog niet is uitgebracht. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter ter voorkoming van een onomkeerbare situatie die uit het oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk wordt geoordeeld aanleiding het besluit tot vaststelling van het plan te schorsen.

2.6. Gelet op het voorgaande behoeft het verzoek van [verzoekers] voor het overige geen bespreking meer.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude van 26 januari 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied SpaarneBuiten";

II. gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan [verzoekster A], [verzoeker B] en [verzoeker C] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Nolles

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010

291-634.