Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN5693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
201006506/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het college met toepassing van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van het door [verzoeker] geëxploiteerde [Café] aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201006506/1/M2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het college met toepassing van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van het door [verzoeker] geëxploiteerde [Café] aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 augustus 2010, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door C. Mellema en R. Schuurman, werkzaam bij de Milieudienst Westfriesland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit zijn maatwerkvoorschriften gesteld met betrekking tot de geluidemissie van de inrichting.

In voorschrift 1 is bepaald dat in de inrichting aanwezige muziekinstallatie(s) moet(en) zijn voorzien van een op de eindversterker, door een terzake kundig bedrijf aangesloten en verzegelde geluidbegrenzer.

In voorschrift 2 is bepaald dat de geluidbegrenzer dient te zijn afgeregeld op een muziekgeluidniveau van Lp = 91 dB(A)

In voorschrift 3 is bepaald dat de geluidbegrenzer bij wijziging van de muziekinstallatie in overeenstemming met het bevoegd gezag opnieuw door een ter zake kundig bedrijf dient te worden afgesteld en verzegeld op het niveau als bedoeld in voorschrift 2.

2.2. Het college stelt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.2.1. De voorzitter overweegt dat de bij het bestreden besluit gestelde maatwerkvoorschriften er voor [verzoeker] toe leiden dat hij de verplichting heeft een geluidbegrenzer aan te sluiten op zijn muziekinstallatie binnen [Café]. Wanneer hij die verplichting niet nakomt, is er sprake van een overtreding. In zoverre heeft [verzoeker] naar het oordeel van de voorzitter een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. [verzoeker] betoogt dat het college met het bestreden besluit in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel, nu dergelijke maatwerkvoorschriften niet zijn gesteld met betrekking tot andere horecagelegenheden in de omgeving. Hij voert aan dat bij [Café] vaker geluidcontroles worden uitgevoerd dan bij andere horecagelegenheden. [Café] wordt daardoor vaker dan andere horecagelegenheden met handhavingsmaatregelen geconfronteerd.

2.3.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat alle horecagelegenheden in Hoorn conform een vast handhavingsprogramma in het kader van een project horecageluid minimaal vier à vijf keer per jaar worden gecontroleerd op de naleving van de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Indien het college een overtreding constateert, wordt een handhavingsprocedure gestart die uit verschillende fasen bestaat. Eerst verzoekt het college de betrokkene de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Wanneer het college nadien binnen een jaar opnieuw een overtreding constateert, start het college een procedure tot het opleggen van een last onder dwangsom. Indien deze procedure niet leidt tot beëindiging van de overtreding, kan het college overgaan tot verhoging van de dwangsom of het stellen van maatwerkvoorschriften. Deze laatste fase is van toepassing op het door [verzoeker] geëxploiteerde [Café]. De handhavingsprocedure wordt in alle gevallen gelijk toegepast, aldus het college.

2.3.2. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel ligt het op de weg van diegene die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept om concrete gevallen te noemen waarin het bestuursorgaan zijns inziens anders heeft gehandeld dan in zijn geval en voorts tot op zekere hoogte te onderbouwen waarom die gevallen zijns inziens op relevante punten zodanig overeenkomen met het zijne dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Voor zover [verzoeker] stelt dat het college bij [Café] vaker geluidcontroles uitvoert dan bij andere horecagelegenheden, heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat bij alle horecagelegenheden in gelijke mate geluidcontroles worden uitgevoerd conform voornoemd handhavingsprogramma. Voor zover [verzoeker] ter zitting horecagelegenheden als voorbeeld van gelijke gevallen heeft genoemd, heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat zich bij die horecagelegenheden andere omstandigheden voordoen en - voor zover het college bij die horecagelegenheden een overtreding heeft geconstateerd - deze zich nog niet in dezelfde fase van de handhavingsprocedure bevinden als [Café]. De horecagelegenheden in de omgeving van [Café] zijn, anders dan [verzoeker] betoogt, in zoverre niet aan te merken als gelijke gevallen waarin het college anders heeft gehandeld dan in het geval van [verzoeker]. Gelet op het voorgaande acht de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

2.3.3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2010

407-632.