Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN5488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
201006521/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Sudan / zicht op uitzetting / tijdelijk geen presentaties / inspanningen minister

Uit het vorenoverwogene volgt dat, nu laatstelijk op 12 maart 2010 nog een Sudanese vreemdeling is uitgezet naar Sudan en ook in de periode daarvoor uitzetting van Sudanese vreemdelingen naar dat land heeft plaatsgevonden, dergelijke uitzettingen nog steeds als een reële mogelijkheid zijn te beschouwen. Weliswaar vinden thans tijdelijk geen presentaties in persoon bij de Sudanese autoriteiten plaats, doch de minister spant zich in om binnen korte termijn tot hervatting van die presentaties te komen. Van concrete aanwijzingen dat zodanige hervatting niet valt te verwachten, althans in ieder geval nog geruime tijd zal vergen, is niet gebleken. Onder de gegeven omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van het ontbreken van zicht op uitzetting geen sprake is. De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/396

Uitspraak

201006521/1/V3.

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2010 in zaak nr. 10/17199 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend .

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H. Straatman, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in de grieven 1 en 3 is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2.2. In grief 2 klaagt de vreemdeling, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken genoegzaam blijkt dat verwijdering naar Sudan mogelijk is en zicht op uitzetting derhalve niet ontbreekt. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank volgens de vreemdeling miskend dat de daartoe door de minister overgelegde informatie onvoldoende duidelijk en concreet is en voorts niet duidelijk is aan welke stukken die informatie is ontleend.

2.2.1. Bij brief van 27 mei 2010 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister een aantal vragen gesteld. Bij brief van 2 juni 2010 heeft de minister de rechtbank in antwoord daarop bericht dat in de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 mei 2010 circa vijf Sudanese vreemdelingen zijn uitgezet naar Sudan, waarvan een enkeling in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding en de overige vreemdelingen niet beschikten over geldige reis- en/of identiteitsdocumenten. In circa vijf zaken is een nationaliteitsverklaring afgegeven en een enkele vreemdeling is uitgezet met gebruikmaking van een EU-staat.

2.2.2. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister toegelicht dat in de periode juni tot en met augustus 2009 vijf Sudanese vreemdelingen zijn uitgezet naar Sudan, waarvan twee met gebruikmaking van een laissez passer, twee met gebruikmaking van een document voor grensoverschrijding en één met gebruikmaking van een EU-staat. Op 12 maart 2010 is nog een Sudanese vreemdeling met gebruikmaking van een EU-staat uitgezet naar Sudan.

De minister heeft desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat Kenia Airways in tegenstelling tot de KLM bereid is om Sudanese vreemdelingen in het bezit van een nationaliteitsverklaring en een EU-staat te vervoeren en dat deze afspraak is vastgelegd in een e-mail, zoals ook blijkt uit het door de vreemdeling overgelegde besluit van 3 maart 2010 op een door mr. P.H. Hillen in een andere zaak op 13 januari 2010 ingediend verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

De minister heeft ter zitting voorts, in reactie op de door de vreemdeling ingezonden brief van mr. C.D. den Hartogh van 23 juni 2010, waaruit volgt dat de Sudanese autoriteiten hebben verklaard thans geen medewerking aan presentaties in persoon te verlenen, aangevoerd dat op 12 augustus 2010 daarover een gesprek zal plaatsvinden tussen de ambassadeur van Sudan en de directeur van de Dienst Terugkeer & Vertrek.

Voorts heeft de minister, voor zover thans van belang, betoogd dat de vreemdeling in het bezit is van een kopie "bewijs van staatsburgerschap door geboorte" op grond waarvan hem, indien hij bij de presentatie aan de Sudanese autoriteiten meewerkt en verklaart vrijwillig te willen terugkeren, hetgeen van hem mag worden verlangd, mogelijk een laissez passer zal worden verstrekt. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de Sudanese autoriteiten naar aanleiding van de presentatie, mede op grond van voormelde kopie, bereid zullen zijn een nationaliteitsverklaring af te geven, op grond waarvan de vreemdeling met gebruikmaking van een EU-staat kan worden uitgezet. Hoewel een geplande presentatie in persoon van de vreemdeling op 14 juni 2010 niet is doorgegaan en op dit moment tijdelijk in het geheel geen presentaties in persoon bij de Sudanese autoriteiten plaatsvinden, kan bij deze stand van zaken niet worden geconcludeerd dat zicht op uitzetting ontbreekt, aldus de minister.

2.2.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat, nu laatstelijk op 12 maart 2010 nog een Sudanese vreemdeling is uitgezet naar Sudan en ook in de periode daarvoor uitzetting van Sudanese vreemdelingen naar dat land heeft plaatsgevonden, dergelijke uitzettingen nog steeds als een reële mogelijkheid zijn te beschouwen. Weliswaar vinden thans tijdelijk geen presentaties in persoon bij de Sudanese autoriteiten plaats, doch de minister spant zich in om binnen korte termijn tot hervatting van die presentaties te komen. Van concrete aanwijzingen dat zodanige hervatting niet valt te verwachten, althans in ieder geval nog geruime tijd zal vergen, is niet gebleken. Onder de gegeven omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van het ontbreken van zicht op uitzetting geen sprake is. De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010

347-562.

Verzonden: 24 augustus 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser