Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
200909556/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Zandvoort-Centrum" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.3
Besluit ruimtelijke ordening 8.1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/745
Module Ruimtelijke ordening 2010/4533

Uitspraak

200909556/1/R1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Zandvoort,

2. [appellant sub 2], wonend te Zandvoort,

3. [appellant sub 3], wonend te Zandvoort,

en

de raad van de gemeente Zandvoort,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Zandvoort-Centrum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 9 december 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2009, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 december 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S. Essakkili, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door J.A. Sandbergen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan uitsluitend een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake de vaststelling van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

Mede gelet op de grote afstand tot zijn woning valt niet in te zien dat [appellant sub 2] een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft wat betreft de ligging van de voorgevelrooilijnen van de percelen [locaties]. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 2] rechtstreeks door deze plandelen zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 2] daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 2] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.1.1. [appellant sub 2] betoogt in beroep voorts dat het peilbegrip in artikel 1, onder 53, van de planregels niet duidelijk is voor andere gevallen dan aan de weg grenzende bouwwerken. Hieromtrent heeft [appellant sub 2] geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 2] voor zover dat ziet op artikel 1, onder 53, van de planregels is niet-ontvankelijk.

2.2. De raad heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat het beroep van [appellant sub 3], voor zover dit betrekking heeft op de dakhelling en de mogelijkheid tot het realiseren van een erker op het perceel [locatie a], niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij dit aspect niet in haar zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.2.1. In haar zienswijze heeft [appellant sub 3] uitsluitend de in het ontwerpplan voorziene aanduiding "8/12 maximale goot- en bouwhoogte (m)" voor haar perceel [locatie a] bestreden. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij een plat dak wenst te realiseren met een hoogte zoals is toegestaan op het perceel [locatie b] dan wel een verhoging van de goothoogte tot 9 meter. De beroepsgrond omtrent de dakhellingsgraad houdt verband met de wens van [appellant sub 3] om een plat dak te realiseren. Gelet hierop vindt haar beroepsgrond met betrekking tot de maximale dakhelling zijn grondslag in de door [appellant sub 3] bij de raad naar voren gebrachte zienswijze, zodat geen aanleiding bestaat het beroep van [appellant sub 3] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

Met betrekking tot de mogelijkheid tot het realiseren van een erker op het perceel [locatie a] overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen grondslag vindt in de door [appellant sub 3] bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 3] voor zover dat ziet op de mogelijkheid tot het realiseren van een erker op het perceel [locatie a] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat op de verbeelding ten onrechte een deel van de illegale bouwwerken op het perceel [locatie c] is ingetekend en derhalve positief is bestemd. In dit verband stelt hij dat in verschillende juridische procedures vast is komen te staan dat het college van burgemeester en wethouders handhavend dient op te treden tegen deze illegale bouwwerken en dat het college van burgemeester en wethouders heeft toegezegd dit ook te zullen doen.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door de vaststelling van het plan de illegaal opgerichte bouwwerken niet worden gelegaliseerd en dat de ondergrond van het plan is gebaseerd op de Grootschalige Basiskaart van Nederland.

2.3.2. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie d].

Het plan voorziet voor het naastgelegen perceel [locatie c] in de bestemming "Wonen-1".

2.3.3. [appellant sub 1] heeft ter zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de planregeling voor het perceel. Voorts betreft de intekening, waar [appellant sub 1] zich tegen richt, de kadastrale ondergrond van de verbeelding. Met betrekking tot de planologische regeling van de betrokken bouwwerken komt aan de kadastrale ondergrond echter geen betekenis toe, zodat het plan door de intekening niet in extra bebouwing voorziet.

Verder heeft de raad zich ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat het plan, inclusief het overgangsrecht, op het perceel [locatie c] niet meer mogelijk maakt dan het voorheen geldende planologisch regime mogelijk maakte en de door [appellant sub 1] vermeende illegale bouwwerken derhalve niet legaliseert. Voorts heeft [appellant sub 1] ter zitting aangegeven dat hij een brief van het college van burgemeester en wethouders gedateerd 22 april 2010 heeft ontvangen waarin staat dat de handhavingsprocedure tegen de illegale bouwwerken, in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 (in zaak nr. 200901588/1/H1), zal worden voortgezet.

2.3.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de aanduiding "specifieke vorm van horeca - pension" voor zijn perceel [locatie e]. Daarbij voert hij aan dat het voorheen geldende bestemmingsplan de verhuur van kamers aan toeristen mogelijk maakte en deze aanduiding in het onderhavige plan wel is toegekend aan enkele nabijgelegen woningen. Omdat gebruik als pension onder het voorheen geldende bestemmingsplan was toegestaan, acht [appellant sub 2] voorts onbegrijpelijk dat hij een planschadeovereenkomst moet ondertekenen om het gebruik als pension te behouden.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel niet in gebruik is als pension en dat overeenkomstig het bestaande gebruik een woonbestemming is toegekend. Binnen deze bestemming is logiesverstrekking wel toegestaan. Volgens de raad sluit dit aan bij de voor het perceel van [appellant sub 2] afgedragen toeristenbelasting voor drie slaapplaatsen.

2.4.2. Het plan voorziet voor het perceel [locatie e] , voor zover van belang, in de bestemming "Wonen-1". Aan het perceel is geen aanduiding "specifieke vorm van horeca - pension" toegekend.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Wonen-1" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor woningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - pension" voor een pension.

Ingevolge artikel 12, vierde lid, onder 2, voor zover van belang, is het toegestaan een gedeelte van een woning in te richten en te gebruiken ten behoeve van logiesverstrekking.

Ingevolge artikel 1, onder 49, wordt onder een logiesverstrekking verstaan het gedurende een beperkte periode per jaar aanbieden of verstrekken van nachtverblijf aan ten hoogste vier personen per nacht.

Ingevolge artikel 1, onder 54, wordt onder een pension verstaan een woning, waarin als nevenactiviteit het verstrekken van logies (per nacht) plaatsvindt, met als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse.

2.4.3. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Zandvoort-Centrum" voorzag voor het perceel [locatie e], voor zover van belang, in de bestemming "Gemengde doeleinden 2 (G2)".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften van dat plan, gelezen in samenhang met de plankaart, waren deze gronden, voor zover van belang, bedoeld voor wonen en horeca van de eerste en tweede categorie.

Ingevolge artikel 1, onder z, werd, voor zover van belang, onder een horeca(bedrijf) verstaan het bedrijfsmatig verstrekken van logies en/of het ter plaatse nuttigen van consumptie.

Op pagina 61 van de toelichting van het voorheen geldende bestemmingsplan "Zandvoort-Centrum" staat dat pensions en particuliere kamerverhuur, zolang de woonfunctie centraal staat, niet zijn opgenomen in de lijst "Bijlage A: horecabedrijven en score per bedrijf".

De Afdeling stelt vast dat het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel [locatie e] voorzag in het gebruik als pension, als bedoeld in artikel 1, onder 54, van de planregels van het onderhavige plan.

2.4.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. In onderhavig geval heeft de raad ervoor gekozen om de woning van [appellant sub 2] conform het feitelijke gebruik te bestemmen. Hierbij heeft de raad van belang kunnen achten dat binnen de bestemming "Wonen-1" logiesverstrekking is toegestaan en dat deze vorm van verhuur van een deel van de woning in overeenstemming is met de voor het perceel [locatie e] afgedragen toeristenbelasting. Voorts is niet gebleken dat [appellant sub 2] concrete plannen heeft om een pension, als bedoeld in artikel 1, onder 54, van de planregels te exploiteren.

Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de woningen aan de [locaties f en g] en aan de [locatie h] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat daar wel sprake is van bestaand gebruik als pension, als bedoeld in artikel 1, onder 54. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.4.5. Gelet op het overwogene in 2.4.4. heeft de raad in dit geval de mogelijkheden voor logiesverstrekking in redelijkheid kunnen beperken tot het bestaande gebruik als logiesverstrekking als bedoeld in artikel 1, onder 49, van de planregels.

Anders dan [appellant sub 2] stelt, is niet gebleken dat de raad het niet sluiten van een planschadeovereenkomst, nog daargelaten de vraag of daar aanleiding toe bestond, als doorslaggevend belang ten grondslag heeft gelegd aan het niet toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - pension" aan zijn perceel.

2.5. Ook betoogt [appellant sub 2] dat in de tuinen achter de woningen aan de locaties f en g] en [locatie h] ten onrechte een tweede aanduidingbegrenzing is opgenomen.

2.5.1. Het plan voorziet voor de percelen aan de [locaties f en g] en [locatie h] in de bestemming "Wonen-1" en, voor zover van belang, in de aanduidingen "specifieke vorm van horeca - pension" en "aaneengebouwd". Zowel op de grens van het bouwvlak met de achtergelegen tuinen als halverwege de tuinen voorziet het plan in een begrenzing van een aanduiding. Anders dan [appellant sub 2] betoogt zijn de begrenzingen van deze aanduidingen goed te onderscheiden en is geen sprake van een rechtsonzekere situatie.

2.6. Tevens voert [appellant sub 2] aan dat op de verbeelding tussen de percelen [locaties i en h] een rode lijn staat zonder vermelding daarvan in het renvooi.

2.6.1. De door [appellant sub 2] bedoelde rode lijn is ingetekend op de langs elektronische weg beschikbaar gestelde verbeelding. Op de papieren verbeelding is deze lijn niet ingetekend.

Ingevolge artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is indien na vaststelling van een bestemmingsplan de inhoud van de langs elektronische weg vastgelegde bestemmingsplan en die van de verbeelding daarvan op papier tot een verschillende uitleg aanleiding geeft, de eerstbedoelde inhoud beslissend.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van het Bro, voor zover van belang, is artikel 1.2.3 van het Bro niet van toepassing op bestemmingsplannen waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor 1 januari 2010.

Ingevolge artikel 8.1.1, tweede lid, van het Bro, voor zover van belang, is indien de inhoud van plannen op papier, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van de verbeelding daarvan in elektronische vorm tot verschillende uitleg aanleiding geeft, in afwijking van artikel 1.2.3, tweede lid, van het Bro, de inhoud van de papieren vorm beslissend.

Nu de terinzagelegging van het ontwerp van onderhavig plan voor 1 januari 2010 was, is de papieren verbeelding beslissend en komt aan de rode lijn nu deze niet is ingetekend op de papieren verbeelding geen betekenis toe.

2.7. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat het gemeentelijk beleid inzake rooilijnen zoals opgenomen in paragraaf 3.3.5 van de plantoelichting ten onrechte niet is toegepast bij het vaststellen van de rooilijn van het perceel [locatie j] .

2.7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het beleid zoals neergelegd in paragraaf 3.3.5 van de plantoelichting slechts vereist dat afstemming en geen gelijktrekking van voorgevelrooilijnen plaatsvindt. Voor de rooilijn aan de [locatie j] is volgens de raad uitgegaan van de verleende bouwvergunning op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan.

2.7.2. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak op het perceel [locatie j] enigszins naar voren ligt ten opzichte van de naastgelegen bebouwing.

Op pagina 19 van de plantoelichting staat dat, gelet op de gemeentelijke Welstandsnota van juni 2004, voor het gehele centrumgebied een bijzonder welstandsbeleid geldt. Voor zover van belang, is het beleid erop gericht dat de rooilijn bij (vervangende) nieuwbouw moet worden afgestemd op die van de belendingen.

2.7.3. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, verplicht het welstandsbeleid voor rooilijnen zoals neergelegd in de plantoelichting niet dat de voorgevelrooilijn van het perceel [locatie j] gelijk wordt getrokken met de voorgevelrooilijn van de naastgelegen bebouwing. Voorts ziet het beleid op (vervangende) nieuwbouw en is in dit geval sprake van bestaande bebouwing. Derhalve heeft de raad de voorgevelrooilijn in redelijkheid conform de verleende en in rechte onaantastbare bouwvergunning kunnen bestemmen. Het betoog van [appellant sub 2] faalt derhalve.

2.7.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.8. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, vormt een mededeling dat niet valt te verwachten dat het plan binnenkort zal worden gewijzigd geen toezegging dat het plan ongewijzigd zal blijven. Voorts is het voorheen geldende bestemmingsplan inmiddels ouder dan 10 jaar en dient de raad ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wro een bestemmingsplan elke 10 jaar te herzien.

2.9. [appellant sub 3] betoogt inhoudelijk dat het plan voor haar perceel [locatie a] ten onrechte in een lagere bouwhoogte en een kleinere dakhelling voorziet dan het voorheen geldende bestemmingsplan. Daarbij voert zij aan dat een grotere bouwhoogte aansluit bij de bebouwing op het aangrenzende perceel [locatie b]. Ook het realiseren van een dakkapel is volgens haar niet meer mogelijk.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de percelen aan de even zijde van de Stationsstraat een goot- en bouwhoogte van 8 onderscheidenlijk 12 meter en de percelen aan de oneven zijde een goot- en bouwhoogte van 6 onderscheidenlijk 10 meter hebben. Een hogere goothoogte voor het perceel van [appellant sub 3] zou het beeld van de omhoog lopende Stationsstraat verstoren, aldus de raad.

Voorts wijst de raad erop dat het plan een ontheffingsbevoegdheid kent om de dakhelling met 10 procent te verhogen.

2.9.2. Het plan voorziet voor het perceel [locatie a], voor zover van belang, in de bestemming "Horeca" en de aanduidingen "bouwvlak" en "8/12 maximale goot- en bouwhoogte (m)".

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder 2, aanhef en sub a en b, van de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, mogen hoofdgebouwen, voor zover van belang, uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en geldt ter plaatse een maximale goot- en bouwhoogte van 8 onderscheidenlijk 12 meter.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder 3, sub c, van de planregels zal, indien een hoofdgebouw wordt voorzien van een kap, de dakhelling niet meer bedragen dan 55 graden en niet minder dan 35 graden ten opzichte van het horizontale vlak.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van, voor zover van belang, het overschrijden van de regels inzake de dakhelling, met maximaal 10 procent, indien hier architectonische of medische redenen aan ten grondslag liggen.

2.9.3. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Zandvoort-Centrum" voorzag voor het perceel [locatie a], voor zover van belang, in de bestemming "Woondoeleinden (Wo)" en de aanduiding "horeca (3)".

Ingevolge artikel 7, derde lid, onder b, aanhef en onder 3 en 4, van de voorschriften van dat plan, voor zover van belang, waren hoofdgebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken toegestaan en gold een goot- en nokhoogte van 8 onderscheidenlijk 12 meter en diende, voor zover een kap wordt toegepast, de dakhelling tenminste 20 graden en ten hoogste 60 graden te bedragen.

2.9.4. De Afdeling overweegt dat, gelet op de systematiek van de Wro, aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen. In onderhavig geval heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om niet in de door [appellant sub 3] gewenste goot- en bouwhoogte te voorzien. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de toegekende goot- en bouwhoogte, anders dan [appellant sub 3] betoogt, geen beperking ten opzichte van het voorheen geldende plan inhouden. Voorts heeft de raad van belang kunnen achten dat hiermee wordt aangesloten op de bestaande bebouwing in de Stationsstraat. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] dat aan het perceel ten noorden van haar perceel wel een grotere goot- en bouwhoogte is toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat dit perceel is gesitueerd aan de Zeestraat en dat de Stationsstraat veel smaller is dan de Zeestraat. De raad heeft hieraan in redelijkheid de conclusie kunnen verbinden dat een grotere bouwhoogte voor het perceel van [appellant sub 3] in de Stationsstraat daarom niet wenselijk is.

De maximale dakhelling is ten opzichte van het voorheen geldende plan verkleind van 60 naar 55 graden. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften, ook inhoudende een verkleining van de maximale dekhelling, voor gronden vaststellen. Gelet op de omstandigheid dat het een marginale verkleining betreft en de mogelijkheid om met toepassing van de ontheffingsbevoegdheid uit artikel 19, aanhef en onder c, van de planregels de dakhelling met 10 procent te overschrijden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie a] door de vastgestelde maximale dakhelling onevenredig worden beperkt.

Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat een dakkapel op haar toekomstige woning niet mogelijk is, overweegt de Afdeling dat de planregels niet aan het realiseren van een dergelijke dakkapel in de weg staan.

2.9.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Proceskosten

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de plandelen [locaties] en artikel 1, onder 53, van de planregels;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op het ontbreken van de mogelijkheid tot het realiseren van een erker op het perceel [locatie a];

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voor zover ontvankelijk ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

533-635.