Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4945

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
200906024/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boerenbond Voeders Deurne B.V. (hierna: de Boerenbond) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer de productie van mengvoeders aan de Molenstraat 6 te Wanrooij. Dit besluit is op 6 juli 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2374
Milieurecht Totaal 2010/4486

Uitspraak

200906024/1/M2.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk, gevestigd Mill en Sint Hubert, hierna: de Milieuvereniging,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boerenbond Voeders Deurne B.V. (hierna: de Boerenbond) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer de productie van mengvoeders aan de Molenstraat 6 te Wanrooij. Dit besluit is op 6 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2009, en de Milieuvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], de Milieuvereniging en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2010, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door drs. J.G. Vollenbroek, de Milieuvereniging, vertegenwoordigd door W. Verbruggen, en het college, vertegenwoordigd door R.M. de Groot en ing. O. de Jong, zijn verschenen. Voorts is daar als partij de Boerenbond, vertegenwoordigd door mr. H.W. van Noordt Wieringa en [belanghebbende], als partij gehoord.

2. Overwegingen

Aanvraag

2.1. [appellant sub 1] betoogt dat de aanvraag ten onrechte niet vergezeld gaat van een niet-technische samenvatting.

2.1.1. Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer gaat de aanvraag vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

2.2. De Afdeling overweegt, mede gelet op de nota van toelichting bij het Besluit tot wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 1997, 418), dat in het concrete geval moet worden beoordeeld of het nodig is een dergelijke samenvatting in de aanvraag op te nemen. Van belang hierbij is de aard van de desbetreffende gegevens in relatie tot de begrijpelijkheid ervan voor het algemene publiek.

De Afdeling stelt vast dat in dit geval de gegevens in de aanvraag, onder meer via een daarin opgenomen stroomschema, op zodanig heldere wijze zijn uiteengezet, dat verwacht mag worden dat deze gegevens begrijpelijk zullen zijn voor het algemene publiek. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de aanvraag in zoverre onvoldoende informatie bevat om een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu vanwege de inrichting mogelijk te maken.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant sub 1] wijst erop dat de aanvraag om vergunning een aantal keren is gewijzigd en aangevuld. Het college heeft volgens hem ten onrechte niet aan de Boerenbond verzocht om een geconsolideerde aanvraag in te dienen.

Deze beroepsgrond faalt, omdat er geen wettelijke verplichting bestaat om een wijziging of aanvulling van een aanvraag om een milieuvergunning in te dienen in de vorm van een geconsolideerde aanvraag.

2.4. [appellant sub 1] betoogt verder dat het college ten onrechte heeft nagelaten om bij het verlenen van de vergunning een lijst op te stellen met documenten die al dan niet tot de aanvraag om vergunning behoren.

Ook deze beroepsgrond faalt, omdat geen wettelijke verplichting bestaat om zo'n lijst op te stellen.

Algemeen toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geur

2.6. [appellant sub 1] en de Milieuvereniging hebben een aantal gronden over geuremissie aangevoerd.

[appellant sub 1] betoogt dat de schoorsteen te laag is en dat onvoldoende maatregelen zijn genomen om met name de diffuse geuremissie te beperken. De Milieuvereniging betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de diffuse geuremissie.

De Milieuvereniging betoogt verder dat - zo begrijpt de Afdeling het beroep - bij de vergunningverlening ten onrechte niet rekening is gehouden met de overlast die optreedt wanneer de maximale productiecapaciteit van 150.000 ton geheel wordt gebruikt voor de productie van meel in plaats van geperst product.

Verder kunnen [appellant sub 1] en de Milieuvereniging zich er niet mee verenigen dat het college een geurimmissie bij geurgevoelige objecten van 1,4 odourunit per kubieke meter aanvaardbaar acht. Volgens hen is het college bij het beoordelen van de geur ten onrechte uitgegaan van een volledig bestaande situatie als bedoeld in de bijzondere regeling Diervoederindustrie van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (www.infomil.nl; hierna: de BRD), met de daarbij behorende grenswaarde. Volgens de Milieuvereniging had de grenswaarde van 0,7 odourunits per kubieke meter voor nieuwe installaties als uitgangspunt moeten worden genomen. [appellant sub 1] wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2009 in zaak nr. 200804557/1, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat een uitbreiding van een andere inrichting moet worden beschouwd als een nieuwe situatie in de zin van de BRD.

2.7. De vergunning houdt, kort weergegeven, in dat de productie van veevoer op drie bestaande perslijnen wordt uitgebreid van 75.000 ton tot maximaal 100.000 ton, en dat er een nieuwe perslijn in gebruik wordt genomen waarop maximaal 50.000 ton veevoer zal worden geproduceerd. De luchtafvoer van alle perslijnen zal plaatsvinden via een nieuw te plaatsen, 36 meter hoge, schoorsteen.

2.8. Voor zover de Milieuvereniging en [appellant sub 1] betogen dat te weinig onderzoek is gedaan naar de geuremissie uit andere bronnen dan de perslijnen (hierna aangeduid als diffuse geuremissie), dan wel dat onvoldoende maatregelen zijn getroffen ter beperking van de diffuse geuremissie, overweegt de Afdeling als volgt.

2.8.1. Het college wijst erop dat de koellucht van de perslijnen, die via de schoorsteen wordt geëmitteerd, verantwoordelijk is voor meer dan 90% van de totale geuremissie. De bijdrage aan de geuremissie van de andere bronnen is beperkt tot hooguit enkele procenten per bron. Het college staat op het standpunt dat geurbestrijding bij deze bronnen vooral bestaat uit het treffen van stofreducerende maatregelen en good-housekeeping. Het college wijst erop dat in de aanvraag om vergunning een aantal good-housekeeping maatregelen is opgenomen, en dat daarin is vermeld dat een afzuiginstallatie bij de stortputten, een doekfilterinstallatie voor de verwijdering van stof en een stoffilterinstallatie voor de verdringingslucht bij het vullen van silo's worden toegepast, en dat de hal waar de perslijnen zijn opgesteld op onderdruk wordt gehouden.

2.8.2. De Milieuvereniging heeft niet duidelijk gemaakt op welk punt het het college ontbreekt aan inzicht in de feiten met betrekking tot de diffuse geuremissie, of dat het college op dit punt onvoldoende onderzoek naar de relevante feiten heeft gedaan. Het college staat op het standpunt dat met de stofreducerende maatregelen en good-housekeeping die blijkens de aanvraag in de inrichting worden toegepast, de (mogelijke) overlast van de diffuse geuremissie voldoende wordt voorkomen of beperkt. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen.

De beroepsgronden over de diffuse geuremissie falen.

2.9. Voor zover de Milieuvereniging betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de geuroverlast die kan optreden indien de totale productiecapacteit van 150.000 ton zou worden gebruikt voor de productie van meel in plaats van geperst voer, overweegt de Afdeling als volgt. Bij de productie van meel komt veel minder geur vrij dan bij de productie van geperst voer; de perslijnen zijn in de inrichting de belangrijkste geurbronnen. Voor de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting is dus niet de situatie dat de totale productiecapaciteit wordt gebruikt voor meel maatgevend, maar de situatie dat de totale productiecapaciteit wordt gebruikt voor de productie van geperst voer.

2.10. Ten aanzien van de beoordeling van de geur die vrijkomt uit de perslijnen in de situatie dat de totale productiecapaciteit wordt gebruikt voor de productie van geperst voer, overweegt de Afdeling als volgt.

2.10.1. Het college heeft bij de beoordeling van de door de perslijnen veroorzaakte geur de BRD tot uitgangspunt genomen. De BRD maakt deel uit van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de Ner). De Ner is in de Regeling aanwijzing BBT-documenten aangewezen als document waarmee het college bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening moet houden.

2.10.2. In de BRD is vermeld, voor zover hier van belang, dat voor bestaande situaties een acceptabel hinderniveau van 1,4 odourunits per kubieke meter bij geurgevoelige objecten geldt, en in nieuwe situaties een niveau van 0,7 odourunits per kubieke meter.

In de BRD is niet omschreven wat onder een bestaande respectievelijk een nieuwe situatie moet worden verstaan.

2.10.3. Duidelijk is dat volgens de BRD het belang van de bescherming van het milieu bij vergunningverlening voor een reeds geheel bestaande mengvoederfabriek vereist dat een immissie van 1,4 odourunit per kubieke meter bij geurgevoelige objecten optreedt, en voor geheel nieuwe mengvoederfabrieken een immissie van 0,7 odourunit per kubieke meter.

Thans staat echter ter beoordeling hoe de BRD moet worden uitgelegd wanneer, zoals hier, een bestaande mengvoederfabriek wordt uitgebreid met een extra perslijn. Dit kan naar het oordeel van de Afdeling niet als een geheel nieuwe situatie in de zin van de BRD worden aangemerkt. Zo'n uitleg zou meebrengen dat een reeds bestaande fabriek, die met een immissie van 1,4 odourunit per kubieke meter op zichzelf beschouwd geheel voldoet aan de uitgangspunten van de BRD voor bestaande situaties, en waarvoor dan ook zonder meer (opnieuw) vergunning zou kunnen worden verleend, bij het plaatsen van een extra perslijn uitsluitend opnieuw vergunbaar zou zijn indien de immissie als gevolg van het bestaande, ongewijzigde, deel van de fabriek meer dan gehalveerd zou worden.

Het geheel als bestaande situatie in de zin van de BRD beschouwen van een uitbreiding van een mengvoederfabriek met een extra perslijn ligt evenmin in de rede. Op zichzelf is denkbaar dat ervoor wordt gekozen om reeds bestaande mengvoederfabrieken, ook wanneer deze worden uitgebreid, meer milieuruimte te bieden dan geheel nieuwe mengvoederfabrieken. Wanneer dit met de BRD was beoogd, had het echter voor de hand gelegen dat dit daarin expliciet tot uitdrukking zou zijn gebracht. Dit geldt te meer daar zo'n uitleg niet in overeenstemming is met paragraaf 2.5.4 van de Ner, waarvan de BRD deel uitmaakt. In die paragraaf is vermeld dat bij uitbreiding van een bestaande inrichting het nieuwe gedeelte als een nieuwe situatie wordt beschouwd.

2.10.4. Het moet er dus voor worden gehouden dat de uitbreiding van een bestaande mengvoederfabriek met een extra perslijn voor de toepassing van de BRD als een combinatie van een bestaande en een nieuwe situatie moet worden beschouwd. Hetgeen de Afdeling heeft geoordeeld over de uitleg van de BRD in de door [appellant sub 1] genoemde uitspraak van 16 september 2009 in zaak nr. 200804557/1 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het in die zaak niet, zoals hier, ging om de uitbreiding van een bestaande fabriek met een extra perslijn.

2.10.5. De in de BRD gegeven immissienormen zijn niet toegesneden op een combinatie van een bestaande en een nieuwe situatie. Toepassing van deze normen volgens de letterlijke tekst van de BRD zou betekenen dat de totale geurimmissie van de mengvoederfabriek na uitbreiding 2,1 odourunit per kubieke meter zou mogen bedragen (een immissie van 1,4 odourunit vanwege de bestaande situatie samen met een immissie van 0,7 odourunit vanwege de nieuwe situatie). Aangenomen moet worden dat dit niet met de BRD is beoogd, en dat de immissie vanwege een mengvoederfabriek volgens de BRD in totaal in ieder geval niet meer dan 1,4 odourunit per kubieke meter bij geurgevoelige objecten mag zijn.

2.10.6. Aangezien de BRD geen sluitende regeling bevat voor de beoordeling van de geurhinder in de zich hier voordoende situatie, dient het college aanvullend aan de BRD een eigen invulling te geven aan wat volgens hem in de specifieke situatie in het belang van de bescherming van het milieu nodig is ter beperking van geurhinder. Gelet op de beoordelingsvrijheid die het college hierbij toekomt, dient de Afdeling deze keuze terughoudend te toetsen.

2.10.7. Het college heeft als uitgangspunt genomen dat de bestaande productie op de bestaande perslijnen moet voldoen aan de immissienorm voor bestaande situaties in de BRD, en de uitbreiding van de productie met 75.000 ton aan de immissienorm voor nieuwe situaties. Verder is het college van mening dat de totale geurimmissie na uitbreiding de in de BRD gegeven immissienorm voor bestaande situaties niet mag overschrijden en bovendien lager moet zijn dan de in de bestaande situatie optredende immissieconcentraties.

2.10.8. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college in de hier aan de orde zijnde situatie in redelijkheid niet als uitgangspunt heeft kunnen hanteren dat bij het voldoen aan de hiervoor weergegeven criteria, de door de inrichting na uitbreiding veroorzaakte geurhinder voldoende wordt beperkt.

In een bij het bestreden besluit gevoegd geurrapport, gedateerd 22 mei 2009, is berekend dat de geurbelasting van de inrichting voldoet aan de hiervoor weergegeven criteria van het college: de geurimmissie vanwege de uitbreiding bedraagt maximaal 0,6 odourunit per kubieke meter en de totale geurimmissie bedraagt maximaal 1,2 odourunit per kubieke meter. Verder neemt de maximaal optredende geurimmissie blijkens het rapport ten opzichte van de bestaande situatie af, omdat deze in de bestaande situatie maximaal 1,7 odourunit per kubieke meter bedraagt. De Afdeling ziet geen grond om aan de juistheid van deze conclusies te twijfelen. Gelet hierop en gezien het door het college gehanteerde uitgangspunt, heeft het college terecht geconcludeerd dat er in het belang van de bescherming van het milieu geen aanleiding bestaat de gevraagde vergunning te weigeren vanwege geurhinder van de perslijnen.

De beroepsgronden over de geur van de perslijnen falen in zoverre.

2.10.9. Het college heeft in het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.2.1 een immissiegrenswaarde voor geurgevoelige objecten van 1,4 odourunit per kubieke meter gesteld. In de bij het bestreden besluit vergunde situatie treedt een lagere immissie op, te weten 1,2 oudour unit per kubieke meter.

Het college stelt op zichzelf terecht dat de grenswaarde van 1,4 odourunit per kubieke meter gelijk is aan de immissie die volgens het door hem gehanteerde uitgangspunt maximaal zou mogen optreden om tot vergunningverlening te kunnen overgaan. Dat laat onverlet dat in dit geval vergunning is gevraagd en verleend voor een situatie waarin een lagere geurimmissie optreedt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer niet het immissieniveau dat in de vergunde situatie maximaal optreedt, als grenswaarde aan de vergunning verbonden.

De beroepsgronden over de geur van de perslijnen slagen in zoverre.

Controlevoorschriften

2.11. [appellant sub 1] betoogt dat de aan de vergunning verbonden controlevoorschriften met betrekking tot geur en stof niet voldoende zijn.

2.12. In de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.2.1 en 3.3.1 tot en met 3.3.3 zijn controlevoorschriften opgenomen met betrekking tot de aspecten stof en geur. [appellant sub 1] is van mening dat verdergaande controlevoorschriften zouden kunnen worden gesteld, maar heeft niet of in ieder geval onvoldoende concreet beargumenteerd om welke redenen het college de door hem gestelde voorschriften niet in redelijkheid voldoende heeft kunnen achten.

Deze beroepsgrond faalt.

Stof

2.13. [appellant sub 1] en de Milieuvereniging betogen dat onvoldoende maatregelen worden genomen om diffuse emissie van stof te voorkomen, met name - zo begrijpt de Afdeling de beroepen - tijdens het storten in de stortput. Volgens de Milieuvereniging zou de stortput inpandig moeten zijn.

2.13.1. In het deskundigenbericht (p. 22) is vermeld - kort weergegeven - dat bij de stortput maatregelen zijn getroffen om de emissie van stof te beperken. De getroffen maatregelen zijn in de Ner genoemd als stofemissie-beperkende maatregelen en in de BRD als geuremissie-beperkende maatregelen, en zijn in overeenstemming met hetgeen in de Ner is opgenomen ten aanzien van transport en verlading, zo is in het deskundigenbericht vermeld.

Mede gezien de conclusie in het deskundigenbericht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de stortput voldoende maatregelen ter beperking van stofverspreiding zijn getroffen. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende maatregelen worden getroffen om stofverspreiding tegen te gaan.

Geluid

2.14. [appellant sub 1] en de Milieuvereniging hebben verder een aantal beroepsgronden over geluid aangevoerd.

2.14.1. [appellant sub 1] en de Milieuvereniging betogen allereerst dat geen besluit op de aanvraag is genomen, nu deze aanvraag vanwege geluidaspecten is geweigerd voor zover het enkele vrachtwagenbewegingen in de nachtperiode betreft. Volgens de Milieuvereniging had het college moeten bewerkstelligen dat de aanvraag in deze zin zou worden aangepast.

Deze beroepsgronden falen. Op de aanvraag is een besluit genomen, namelijk een besluit strekkende tot het gedeeltelijk verlenen en het gedeeltelijk weigeren van een vergunning voor de aangevraagde inrichting. Anders dan de Milieuvereniging meent, is het college niet gehouden om te bewerkstelligen dat een aanvraag gedeeltelijk wordt ingetrokken wanneer het voornemen bestaat deze gedeeltelijk te weigeren.

2.14.2. [appellant sub 1] en de Milieuvereniging betogen verder dat de gestelde geluidgrenswaarden te ruim zijn omdat verdergaande geluidreducerende maatregelen moeten worden getroffen. Zij menen dat met name het geluid van de activiteiten bij de stortput verder moet worden beperkt.

2.14.3. Het college heeft voor de beoordeling van het geluid de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot uitgangspunt genomen (hierna: de Handreiking). Daarin is, voor zover hier van belang, geadviseerd om wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij bestaande inrichtingen grenswaarden te stellen die overeenkomen met de in de Handreiking opgenomen richtwaarden, of met het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding daarvan is mogelijk op basis van een bestuurlijk afwegingsproces.

Het college heeft geconcludeerd dat niet in alle gevallen aan de van toepassing zijnde richtwaarden en het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid kan worden voldaan. Vervolgens heeft het college op basis van een bestuurlijke afweging geconcludeerd dat, nu alle beste beschikbare technieken worden toegepast, het geluidniveau dat overeenkomt met de aangevraagde situatie vergunbaar is.

In het deskundigenbericht is, wat de door [appellant sub 1] en de Milieuvereniging genoemde geluidemissie van de stortput betreft, geconcludeerd dat een verplaatsing daarvan binnen de huidige situatie niet mogelijk is. Voor de door de Milieuvereniging gewenste inpandige stortplaats zou volgens het deskundigenbericht een zeer hoge overkapping nodig zijn, terwijl dit geen effect heeft op het geluidniveau in de avond- en nachtperiode waarin juist de meeste overschrijdingen van het referentieniveau plaatsvinden. In het deskundigenbericht is verder, kort weergegeven, geconcludeerd dat alle geluidreducerende maatregelen aan de maatgevende bronnen voldoen aan de stand der techniek en dat er geen directe mogelijkheden zijn om de door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus verder te beperken.

Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich met zijn bestuurlijke afweging als bedoeld in de Handreiking niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een verdere beperking van de geluidemissie door het treffen van maatregelen niet is vereist en dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau toereikend zijn.

De desbetreffende beroepsgronden falen.

2.14.4. [appellant sub 1] merkt in het beroepschrift verder met betrekking tot het aspect geluid op dat het geluid van de hamermolens niet buiten waarneembaar zou moeten zijn en dat een diesel aangedreven heftruck qua geluid en luchtverontreinging niet als BBT is aan te merken.

Uit deze opmerking kan de Afdeling geen voldoende duidelijke grond over de rechtmatigheid van het bestreden besluit herleiden.

2.14.5. Tot slot betoogt de Milieuvereniging met betrekking tot het aspect geluid, dat in de aan de vergunning verbonden voorschriften over het maximale geluidniveaus ten onrechte niet is vermeld voor welke activiteiten een hoger geluidniveau geldt.

In voorschrift 4.1.2 zijn grenswaarden gesteld voor het maximale geluidniveau dat door de inrichting wordt veroorzaakt. Nu in dit voorschrift geen uitzondering is gemaakt, gelden deze niveaus voor alle activiteiten in de inrichting.

Deze beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden

2.15. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 9.1.1. In dit voorschrift is, kort weergegeven, bepaald dat een zone-indelingsrapport als bedoeld in de Nederlandse Praktijkrichtlijnen 7910-2 (stofontploffingsgevaar) bij het college moet worden ingediend. Volgens [appellant sub 1] leidt het indienen van dit rapport ten onrechte niet tot een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld. Verder is in het beroepschrift vermeld dat het college verwijst naar de aanvraag om de vergunning, waarin staat dat de inventarisatie volgens Atex nog moet gaan gebeuren, en dat de lijst in paragraaf 10.1 ook niet volledig is.

De Afdeling overweegt allereerst dat er geen rechtsregel is die het college verplicht om bij het stellen van een voorschrift als hier aan de orde te bewerkstelligen dat een beroepbaar besluit wordt genomen. De Afdeling overweegt verder dat zij uit de overige door [appellant sub 1] in het beroepschrift vermelde feiten geen voldoende duidelijke grond over de rechtmatigheid van voorschrift 9.1.1 kan herleiden.

De beroepsgrond faalt.

2.16. [appellant sub 1] is van mening dat een bedrijf met een omvang van de inrichting in kwestie een milieuzorgsysteem moet hebben. Dit is ten onrechte niet voorgeschreven.

2.16.1. Het is aan het college, gelet op zijn beoordelingsvrijheid bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer, te bepalen welke voorschriften nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Het college acht het voorschrijven van een milieuzorgsysteem als door [appellant sub 1] bedoeld niet nodig. Het enkele feit dat [appellant sub 1] anders denkt over het belang van een milieuzorgsysteem, betekent niet dat het college zich niet in redelijkheid op dat standpunt mag stellen.

De beroepsgrond faalt.

2.17. [appellant sub 1] betoogt dat, zo begrijpt de Afdeling het beroep, onvoldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of het waterschap van mening is dat geen lozing in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren plaatsvindt. Ten onrechte zou het college zich wat dit betreft hebben gebaseerd op een mededeling van het waterschap uit 2004.

Onbestreden is dat de situatie voor zover van belang voor het mogelijk ontstaan van een lozing ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gelijk was aan de situatie in 2004. Ook de definitie van wat een lozing in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is, is sinds die periode niet veranderd. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet van de mededeling van het waterschap uit 2004 dat geen vergunningplichtige lozing plaatsvindt, heeft mogen uitgaan.

De beroepsgrond faalt.

2.18. [appellant sub 1] betoogt dat het college onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op zijn bedenking tegen het ontwerp van het besluit over de zogenoemde realisatietermijn.

2.18.1. [appellant sub 1] heeft in zijn bedenking opgemerkt: "Wij verzoeken u om de realisatietermijn te beperken tot 3 jaar."

Naar aanleiding hiervan heeft het college het volgende overwogen: "Door aanvraagster is gemotiveerd verzocht om een termijn van 5 jaar. Hier hebben wij mee ingestemd. Aangezien reclamant niet motiveert waarom hij een termijn van 3 jaar nodig acht, zien wij niet in waarom wij een termijn van 3 jaar zouden moeten opnemen."

Het college heeft hiermee voldoende gereageerd op de niet onderbouwde bedenking van [appellant sub 1].

Deze beroepsgrond faalt.

2.19. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de definitie van 'nieuwe installatie' in de van de vergunningvoorschriften deel uitmakende begrippen- en literatuurlijst.

Het begrip 'nieuwe installatie' wordt niet gebruikt in de vergunningvoorschriften. De definitie van dit begrip is dus niet van invloed op hetgeen op grond van de vergunningvoorschriften geldt. Gelet hierop ziet de Afdeling af van verdere bespreking van dit punt.

2.20. [appellant sub 1] en de Milieuvereniging betwijfelen of het college bij de vergunningverlening er terecht van is uitgegaan dat de woning aan de Molenstraat 8 kan worden beschouwd als een bedrijfswoning bij de inrichting.

De woning is eigendom van de drijver van de inrichting, en werd en wordt bewoond door een persoon belast met het toezicht op de inrichting. Dit in aanmerking genomen heeft het college deze woning op goede gronden als bedrijfswoning bij de inrichting aangemerkt. Dat deze toezichthouder naar de mening van de Milieuvereniging beter zou moeten zijn opgeleid voor de toezichthoudende taak, maakt dat niet anders.

De beroepsgronden falen.

2.21. Voor zover de Milieuvereniging zich voor het overige in het beroepschrift heeft beperkt tot een nagenoeg letterlijke herhaling van de door haar tegen het ontwerp van het besluit ingediende bedenkingen, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit zijn reactie daarop heeft gegeven. De Milieuvereniging heeft geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Het beroep faalt in zoverre.

2.22. [appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift, wat de grond over het niet ingaan op in april 2008 ingediende bedenkingen betreft, beperkt tot het verwijzen naar tegen het (derde) ontwerp van het besluit ingediende bedenkingen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant sub 1] heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.23. De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.24. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en de Milieuvereniging op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 29 juni 2009 voor zover het getal "1,4" in vergunningvoorschrift 3.2.1 betreft;

III. bepaalt dat het onder II genoemde getal luidt: "1,2";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 241,25 (zegge: tweehonderdeenenveertig euro en vijfentwintig cent);

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

262.