Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
200909827/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909827/1/H2.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 november 2009 in zaak nr. 08/5511 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2009, verzonden op 5 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 16 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.A. de Boer, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door drs. E.P.A.M. Weterings, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals deze bepaling gold ten tijde hier van belang, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] heeft het college verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te lijden door de krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO op 24 januari 2006 verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Stadskern Noord-Oost" (hierna: bestemmingsplan). Deze vrijstelling voorzag in de bouw van zes woningen, negen zorgwoningen en een wijkvoorziening in het centrum van Bergen op Zoom. Het college heeft de aanvraag, overeenkomstig het advies van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van maart 2008, bij besluit van 11 april 2008, zoals gehandhaafd bij besluit van 9 oktober 2008, afgewezen, omdat, gelet op het voorbereidingsbesluit van 28 juni 2001, deze planologische wijziging volgens het college ten tijde van de aankoop door [appellant] van de woning gelegen aan de Korenmarkt 2a te Bergen op Zoom voorzienbaar was.

2.3. Niet in geschil is dat [appellant] ten gevolge van de vrijstelling in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren waardoor hij schade lijdt. In geschil is de vraag of de door hem geleden schade voor zijn rekening dient te blijven.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van zijn woning op 23 juli 2002 niet voorzienbaar was. [appellant] voert daartoe aan dat het voorbereidingsbesluit van 28 juni 2001 reeds op 16 juli 2002 was komen te vervallen en gelijktijdig daarmee de aanhoudingsplicht, zodat ten tijde van de aankoop van zijn woning een concreet beleidsvoornemen tot wijziging van de planologische situatie niet aan de orde was. Voorts voert [appellant] aan dat het voorbereidingsbesluit niet kan worden aangemerkt als een concreet beleidsvoornemen waaruit de planologische wijziging in volle omvang kon worden afgeleid. In dit verband wijst [appellant] erop dat volgens dit besluit minder woningen zouden worden gebouwd dan waarin de vrijstelling voorziet, en dat evenmin voorzienbaar was dat de wijkvoorziening aan de Korenmarkt zou worden gebouwd.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200902002/1/H2) dient de voorzienbaarheid van een planologische wijziging te worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag, of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

Een voorbereidingsbesluit kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een dergelijk concreet beleidsvoornemen vormen. Voor zover dat besluit inhoudelijke aanwijzingen bevat dat een planologische wijziging kan worden verwacht, kan het als basis voor voorzienbaarheid fungeren.

2.4.2. De raad van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: raad) heeft op 28 juni 2001 een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de WRO genomen voor het gebied gelegen tussen de Goudenbloemenstraat, Korenmarkt, Blauwehandstraat en Kleine Kerkstraat, waarin de woning van [appellant] ligt. Dit besluit is op 16 juli 2001 openbaar gemaakt en in werking getreden. Het voorbereidingsbesluit is ingevolge artikel 21, vierde lid, van de WRO, een jaar na inwerkingtreding daarvan vervallen, omdat niet binnen die termijn een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage was gelegd.

Anders dan [appellant] aanvoert, kan uit het vervallen van dit besluit niet worden afgeleid dat ten tijde van de aankoop van zijn woning op 23 juli 2002 het beleidsvoornemen tot wijziging van de planologische situatie ter plaatse niet langer aan de orde was. Niet gebleken immers is dat het planologisch beleid ter plaatse is gewijzigd. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat het voorbereidingsbesluit van rechtswege is vervallen en dat dit niet samenhing met een gewijzigd beleidsvoornemen.

2.4.3. De raad heeft bij besluit van 28 juni 2001 (hierna: raadsbesluit), gezien het voorstel van het college aan de raad van 29 mei 2001 (hierna: raadsvoorstel), ingestemd met de herontwikkeling van het binnen het voormelde gebied gelegen woonhofje van Huize St. Gertrudis en tevens het bijbehorende voorbereidingsbesluit genomen. Volgens het raadsvoorstel dient in het kader van de herontwikkeling nieuwbouw plaats te vinden aan de Korenmarkt en de Kleine Kerkstraat ter versterking van de ruimtelijke beslotenheid van het woonhofje. De nieuwbouw ziet volgens het raadsbesluit op de verwezenlijking van een nieuwe multifunctionele wijkvoorziening in de binnenstad. Het raadsvoorstel opteert in dit verband voor concentratie van die wijkvoorziening in een nieuw gebouw aan de Korenmarkt als onderdeel van het opwaarderen van het Getrudishof. Volgens het raadsvoorstel moet de nieuwbouw in zijn architectonische uitwerking op een harmonische wijze aansluiten op de bestaande woningen van Huize St. Gertrudis en komen de voorzieningen ter verlevendiging van de Korenmarkt aan het plein te liggen. Voorts dient volgens het raadsvoorstel een rij woningen aan de Kleine Kerkstraat te worden gebouwd. Het gaat daarbij om vijf woningen op de begane grond en zes bovenwoningen met aansluiting op het bestaande appartementencomplex.

Het vorenstaande brengt met zich dat ten tijde van de aankoop door [appellant] van zijn woning voldoende inhoudelijke aanwijzingen voorhanden waren dat een wijkvoorziening aan de Korenmarkt verwezenlijkt zou worden en dat in zoverre dus sprake was van een concreet beleidsvoornemen. Gelet hierop bestond reeds voor [appellant] aanleiding om in zoverre rekening te houden met de kans dat de planologische situatie aan de Korenmarkt voor hem in ongunstige zin zou veranderen.

Dit geldt niet voor de woningbouw aan de Kleine Kerkstraat. Volgens het raadsvoorstel zouden hier weliswaar in totaal elf woningen, vijf woningen op de begane grond en zes bovenwoningen, worden gebouwd, maar de vrijstelling ziet op vijftien woningen. Daarbij gaat het om de bouw van woningen in drie bouwlagen, terwijl in het raadsvoorstel in dit verband over twee bouwlagen wordt gesproken. Onder deze omstandigheden had het college, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ van maart 2008, in het besluit van 9 oktober 2008 niet kunnen uitgaan van voorzienbaarheid wat betreft de omvang van de woningbouw aan de Kleine Kerkstraat. Dit besluit mist derhalve een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2008 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 november 2009 in zaak nr. 08/5511;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 9 oktober 2008, kenmerk U08-019484;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

85-616.