Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
201001348/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201001348/1/H3.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 december 2009 in zaak nr. 09/1340 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, namens deze, het hoofd van de afdeling Verkeersrecht (lees: de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR)).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het CBR een verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 20 oktober 2008 afgewezen.

Bij ongedateerd besluit, verzonden bij brief van 11 augustus 2009, heeft het CBR het door [appellant] tegen het besluit van 20 mei 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 september 2009 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door hem tegen het besluit van 20 oktober 2008 ingediende bezwaarschrift van 7 november 2008.

Bij uitspraak van 28 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door hem tegen het besluit van 20 oktober 2008 ingediende bezwaarschrift van 7 november 2008 en tegen het bij brief van 11 augustus 2009 verzonden besluit ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2010, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover thans van belang, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieƫn van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriƫle regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

2.2. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Bij besluit van 3 juni 2009 is het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard. Bij ongedateerd besluit, verzonden bij brief van 11 augustus 2009, is het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit is geen rechtsmiddel aangewend, waardoor het in rechte onaantastbaar is geworden. Aan het besluit van 3 juni 2009 komt de grondslag niet te ontvallen, indien het besluit van 20 oktober 2008 zou worden herroepen. Ook anderszins kan [appellant] door het hoger beroep niet in een gunstigere positie geraken. Derhalve heeft [appellant] geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

2.3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

187-640.