Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
200910154/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Annen Dorp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200910154/1/R1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Annen Dorp" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Meloni, werkzaam bij Meloni Advies, en de raad, vertegenwoordigd door M. Buiter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan bevat het planologisch-juridisch kader voor de bebouwde kom van Annen en is overwegend conserverend van aard.

2.2. [appellant] richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "bedrijfswoning toegestaan" en tegen het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen", beide voor zijn perceel aan de [locatie].

[appellant] betoogt dat zijn woning ten onrechte bestemd is als bedrijfswoning, nu hij geen binding heeft met een ter plaatse gevestigd bedrijf. Hij stelt dat het voorheen geldende plan de zelfstandige woonfunctie toestond en dat deze woonfunctie ten onrechte niet opnieuw in het plan is opgenomen.

Voorts betoogt [appellant] dat het bouwvlak ten onrechte strak om de bestaande bebouwing is gelegd. Daardoor biedt het plan geen uitbreidingsmogelijkheden die onder het vorige plan wel bestonden. Hij bestrijdt dat aan het plan het uitgangspunt ten grondslag ligt het bouwvlak strak om het bestaande gebouw te plaatsen. Uit de plantoelichting volgt naar zijn mening dat dit enkel het geval is bij karakteristieke gebouwen. Zijn perceel is evenwel op de verbeelding niet als zodanig aangeduid en het is evenmin opgenomen in het overzicht van karakteristieke gebouwen dat bij het plan is gevoegd.

[appellant] betoogt verder dat de noordelijke grens van het bouwvlak voor het perceel ten zuiden van zijn woning door een onjuiste wijziging van de verbeelding - ten opzichte van het ontwerpplan nog verder - op zijn perceel is voorzien en bovendien in een bestaande bosstrook. De bebouwingsgrens voor dat perceel is door deze onjuiste wijziging naar het noorden opgeschoven in plaats van naar het zuiden, aldus [appellant].

Tot slot betoogt [appellant] dat een deel van zijn perceel ten onrechte is bestemd als "Groenvoorzieningen". Dat deel van het perceel is bij hem in gebruik als tuin en is niet openbaar toegankelijk. De bestemming "Groenvoorzieningen" ziet volgens [appellant] op openbaar toegankelijk groen, zodat de bestemming voor dat deel van zijn perceel niet overeenkomt met het bestaande gebruik.

2.2.1. De raad heeft de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" overgenomen uit het voorheen geldende plan "Annen-Noord West, gemeente Anloo". Voor zover 'wonen' als doeleinde was opgenomen in de doeleindenomschrijving bij de voorheen geldende bestemming betrof dat, aldus de raad, geen zelfstandige woonfunctie, maar een functie als bedrijfswoning. Dat de woning als zelfstandige woning is verkocht doet er, aldus de raad, niet aan af dat de woning planologisch als bedrijfswoning geldt. Een burgerwoning op dit perceel kan volgens de raad belemmerend werken op de ontwikkelingsmogelijkheden van de aangrenzende bedrijven en is derhalve strijdig met zijn beleid voor herstructurering en uitbreiding op de bestaande bedrijfslocaties in het dorp.

Ten aanzien van de omvang van de bouwvlakken heeft de raad blijkens de beantwoording van de zienswijze het uitgangspunt gehanteerd dat de bouwgrens rond de bestaande hoofdbebouwing wordt gelegd. Voor de (bedrijfs)woning van [appellant] heeft de raad geen uitzondering gemaakt, temeer niet nu die woning een boerderijvorm heeft.

Bij de planvaststelling heeft de raad vastgesteld dat op de verbeelding van het ontwerpplan het bouwvlak voor het bedrijfsperceel aan de zuidzijde van het perceel van [appellant] niet correct was vermeld. De raad heeft besloten op de verbeelding de begrenzing van het bouwvlak aan te passen in overeenstemming met de bestaande situatie.

De plangrens aan de noordkant van het perceel [locatie] heeft de raad bij de planvaststelling gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan. Daardoor valt de ontsluiting van het perceel binnen het plan. De aanwezige bossingel - die in het voorheen geldende plan was bestemd als "Groenvoorzieningen, opgaande beplanting" - is in het plan bestemd als "Groenvoorzieningen" en de planregels zijn in die zin gewijzigd dat ontsluitingswegen binnen deze bestemming zijn toegestaan. Voor het overige heeft de raad de begrenzing van de bestemmingsvlakken "Bedrijfsdoeleinden" en "Groenvoorzieningen" overgenomen uit het voorheen geldende plan. Dat de inrichting en het gebruik van een deel van de gronden zijn gewijzigd, acht de raad geen reden voor aanpassing van de begrenzing van deze bestemmingsvlakken, nu van onomkeerbaarheid wat betreft gebruik en inrichting geen sprake is.

2.2.2. [appellant] betoogt ten onrechte dat hij aan het voorheen geldende plan "Annen-Noord West, gemeente Anloo" uit 1996 rechten kan ontlenen op een bestemming die wonen als zelfstandige functie toestaat. De raad stelt met juistheid dat de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" die in het voorheen geldende plan aan het perceel was toegekend wonen alleen toestond als functie binnen de bedrijfsbestemming. Dit volgt uit de systematiek van dat plan alsmede uit artikel 4, derde lid, van de voorschriften bij dat plan waaruit volgt dat per bedrijf ten hoogste 1 woning mag worden gebouwd. Voor wonen als zelfstandige functie was in het voorheen geldende plan de bestemming "Woondoeleinden" opgenomen.

Aan de wijze van totstandkoming van de woning kan [appellant] evenmin een recht op een woonbestemming ontlenen. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat de bouwvergunning voor de woning in 1997 is verleend voor de bouw van een bedrijfswoning bij het hoveniersbedrijf dat op het aangrenzende perceel was gevestigd.

Voorts heeft de raad bij het toekennen van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" het geldende beleid toegepast. Dat beleid is gericht op het behoud van kleinschalige bedrijvigheid in het dorp en op het bieden van mogelijkheden voor herstructurering en uitbreiding op bestaande locaties. Het standpunt van de raad dat het toelaten van een zelfstandige woonfunctie op het perceel beperkend zou kunnen werken op de mogelijkheden van de aangrenzende bedrijven, is niet onredelijk. In de omstandigheid dat [appellant] de woning in 2003 heeft gekocht en vanaf die tijd heeft bewoond als burgerwoning behoefde de raad geen aanleiding te zien om van zijn beleid af te wijken. Eigendomsverhoudingen zijn in beginsel niet van belang bij het toekennen van een bestemming. De raad stelt dan ook terecht dat de woning, ondanks die verkoop, planologisch deel is blijven uitmaken van het bedrijventerrein. Voorts valt het strijdige gebruik als burgerwoning gelet op artikel 33.2, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de planregels, niet onder het overgangsrecht van het huidige plan, zodat handhavend optreden tegen dat strijdige gebruik niet is uitgesloten.

2.2.2.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet toekennen van de bestemming "Woondoeleinden" voor het perceel [locatie] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.2.3. Ten aanzien van het betoog dat het bouwvlak in afwijking van het voorheen geldende plan geen mogelijkheden biedt voor uitbreiding van de woning, wordt overwogen dat de raad desgevraagd heeft verklaard dat aan het plan geen ruimtelijk beleid ten grondslag ligt om een bouwvlak strak te omlijnen rondom de bestaande bebouwing. Wel is volgens de plantoelichting en de verklaring van de raad ter zitting in het plan voor karakteristieke gebouwen die als zodanig op de verbeelding zijn aangeduid en op een bijlage bij het plan zijn vermeld een bouwvlak toegekend dat uitsluitend de bestaande bebouwing omvat. Niet in geschil is dat de woning van [appellant] geen karakteristiek gebouw is dat als zodanig op de verbeelding is aangeduid. Gelet hierop heeft de raad onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het bouwvlak voor de woning op het perceel [locatie] in dit plan, in afwijking van het voorheen geldende plan, strak om de bestaande bebouwing diende te worden gelegd.

2.2.3.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel [locatie] niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre te worden vernietigd.

2.2.4. Ten aanzien van het betoog dat de tuin ten onrechte als "Groenvoorzieningen" is bestemd, nu het geen openbaar toegankelijke groenvoorziening betreft, wordt overwogen dat volgens de plantoelichting het openbare groen in en rond het dorp, dat een duidelijke ruimtelijke functie heeft die bijdraagt aan de woonomgeving, onder de bestemming "Groenvoorzieningen" is gebracht en dat de specifieke waarden van deze groenstructuur in de plantoelichting zijn beschreven. Het gaat hierbij, aldus de plantoelichting, vooral om de open groene plekken in en rond het dorp. Tussen partijen is niet in geschil dat de gronden van [appellant] waarop een bossingel stond en die [appellant] als tuin heeft ingericht niet openbaar toegankelijk zijn en geen specifieke waarde hebben die bijdraagt aan de woonomgeving. Voorts heeft de raad ter zitting verklaard dat wat betreft niet openbaar toegankelijke gronden enkel aan die van [appellant] de bestemming "Groenvoorzieningen" is toegekend. Derhalve heeft de raad onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het deel van de gronden van [appellant] die hij in gebruik heeft als tuin als "Groenvoorzieningen" diende te worden bestemd.

2.2.4.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre het betreft het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" voor het perceel [locatie] niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre te worden vernietigd.

2.2.5. Ten aanzien van het betoog dat de noordelijke grens van het bouwvlak voor het perceel ten zuiden van zijn woning door een onjuiste wijziging van de verbeelding - ten opzichte van het ontwerpplan nog verder - op zijn perceel is voorzien, heeft de raad zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de wijziging van de verbeelding op dit punt niet correct is uitgevoerd.

Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de begrenzing van het bouwvlak voor het perceel ten zuiden van het perceel [locatie] in zoverre niet in overeenstemming is met de bedoeling van de raad en mitsdien niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. De opmerking van de raad in het verweerschrift en ter zitting dat [appellant] hierdoor niet in zijn belangen is geschaad, is voor dit oordeel niet relevant.

2.2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de begrenzing van de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel ten zuiden van het perceel [locatie] voor zover die begrenzing is voorzien op het perceel [locatie] is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.3. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant].

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aa en Hunze van 30 september 2009, kenmerk no. 53, voor zover het betreft

- de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel [locatie];

- het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" voor het perceel [locatie];

- de begrenzing van de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel ten zuiden van het perceel [locatie] voor zover dat is voorzien op het perceel [locatie];

III. verklaart het beroep van [appellant] voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Aa en Hunze tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 922,35 (zegge negenhonderdtweeentwintig euro en vijfendertig eurocent), waarvan een bedrag van € 874 (zegge achthondervierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Aa en Hunze aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Nolles

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

291-659.