Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4905

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
200907853/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer het op- en overslaan, sorteren en bewerken van afvalstoffen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] (hierna: [locaties]) te [plaats]. Dit besluit is op 2 september 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/199
JOM 2011/391
JOM 2011/390
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2381

Uitspraak

200907853/1/M1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer het op- en overslaan, sorteren en bewerken van afvalstoffen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] (hierna: [locaties]) te [plaats]. Dit besluit is op 2 september 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en anderen, het college, [vergunninghoudster] en het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant] en anderen en [vergunninghoudster] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2010, waar [appellant] en anderen, van wie [gemachtigden] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie, ing. J.C. Broshuis en ing. W.J. van der Veen, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en [directeur], en het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen, vertegenwoordigd door ing. I.F. Kelderman, ing. L.N. Soesan en mr. drs. L.G. Hartman, allen werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het college betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is, voor zover het de beroepsgrond over luchtkwaliteit betreft.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake milieuvergunningen worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

[appellant] en anderen hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot het besluitonderdeel luchtkwaliteit. Nu niet is gebleken dat [appellant] en anderen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de hierop betrekking hebbende beroepsgrond niet-ontvankelijk.

Procedurele beroepsgronden

2.2. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte heeft vermeld dat het bestreden besluit niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond aldus, dat zij betogen dat dit bij de kennisgeving van het bestreden besluit niet juist is vermeld. De Afdeling overweegt dat, wat hiervan ook zij, het hierbij zou gaan om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze beroepsgrond faalt reeds hierom.

2.3. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord naar aanleiding van de zienswijzen die zij met betrekking tot het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht.

2.3.1. Het college stelt dat bij de kennisgeving van het ontwerpbesluit is vermeld dat, indien daar vóór 7 augustus 2009 om verzocht zou worden, op 12 augustus 2009 een hoorzitting zou plaatsvinden. Volgens het college hebben [appellant] en anderen niet om een hoorzitting verzocht. Het college heeft er daarom van afgezien een hoorzitting te houden.

2.3.2. In artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren kunnen brengen.

In artikel 3:16, eerste lid, is bepaald dat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, zes weken bedraagt, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.

Ingevolge het tweede lid vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

2.3.3. Uit de stukken blijkt dat het ontwerpbesluit op 2 juli 2009 ter inzage is gelegd. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht konden derhalve tot en met 12 augustus 2009 schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerp naar voren worden gebracht. Bij de kennisgeving van het ontwerpbesluit heeft het college melding gemaakt van de mogelijkheid om tijdens een hoorzitting op 12 augustus 2009, derhalve op de laatste dag van de hiervoor bedoelde termijn, mondeling zienswijzen naar voren te brengen. Niet is gebleken dat [appellant] en anderen hebben verzocht van deze mogelijkheid gebruik te mogen maken. Ook anderszins is niet gebleken dat [appellant] en anderen het college binnen de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen hebben verzocht mondeling zienswijzen naar voren te kunnen brengen. Ter zitting hebben [appellant] en anderen gesteld dat zij door een ambtenaar van de provincie telefonisch zijn benaderd met de vraag of zij gehoord wilden worden. Nu dit telefoongesprek volgens [appellant] en anderen echter heeft plaatsgevonden op de dag waarop het bestreden besluit is genomen, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat dit gesprek betrekking had op de onderhavige vergunningprocedure, te meer niet omdat daarvoor in de kennisgeving van het ontwerpbesluit reeds een mogelijke hoorzitting op 12 augustus 2009 was aangekondigd.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht is voorbereid.

Deze beroepsgrond faalt.

Omvang van de inrichting

2.4. [appellant] en anderen betogen dat het college de percelen aan de [locaties] ten onrechte als één inrichting heeft beschouwd. Meer in het bijzonder betogen zij dat de [locatie 2] ten onrechte tot de inrichting is gerekend.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de percelen [locaties] zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden, waarbij tevens organisatorische, technische en functionele bindingen bestaan. Daarom dienen deze locaties volgens het college tezamen als één inrichting te worden aangemerkt.

2.4.2. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.4.3. De vergunning is aangevraagd voor de percelen [locaties] tezamen. In de aanvraag zijn de drie percelen derhalve als één inrichting beschouwd. Volgens de aanvraag is het pand gelegen op het perceel [locatie 2] mede in gebruik als kantoorlocatie voor [vergunninghoudster] en vindt op dit perceel stalling plaats van machines en materieel die op de andere locaties worden gebruikt. Gezien deze samenhang ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in dit geval, in afwijking van hetgeen is aangevraagd, niet één vergunning kon worden verleend voor de percelen [locaties] tezamen.

Deze beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Onduidelijkheid vergunde activiteiten

2.6. [appellant] en anderen betogen dat het bestreden besluit onvoldoende duidelijk maakt welke activiteiten op welk perceel zijn vergund.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in de aanvraag duidelijk is vermeld welke activiteiten waar worden uitgevoerd.

2.6.2. In hoofdstuk 3 van de aanvraag wordt voor elk van de drie percelen waarvoor de vergunning is aangevraagd een beschrijving gegeven van de aangevraagde activiteiten. Nu de aanvraag - met uitzondering van een aantal in het bestreden besluit genoemde bijlagen - deel uitmaakt van de vergunning, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de vergunning in dit opzicht onvoldoende duidelijk is.

Deze beroepsgrond faalt.

Uitbreiding activiteiten

2.7. [appellant] en anderen voeren aan dat bij het bestreden besluit ten onrechte nieuwe activiteiten en een uitbreiding van bestaande activiteiten zijn vergund ten opzichte van de eerder voor de inrichting verleende vergunningen.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de beoordeling van de aanvraag niet van belang is of de aanvraag een uitbreiding van de eerder vergunde activiteiten inhoudt. Het college acht alle aangevraagde activiteiten vergunbaar. Verder stelt het college dat de enige uitbreiding ten opzichte van de eerder vergunde situatie de toevoeging van het perceel [locatie 2] is. Het pand op dit perceel wordt gebruikt als kantoorruimte. Achter het pand vindt stalling plaats van machines en materieel.

2.7.2. De Wet milieubeheer staat er niet aan in de weg dat bij de verlening van een revisievergunning een uitbreiding van de eerder vergunde activiteiten wordt toegestaan. Of de activiteiten en de milieugevolgen daarvan toenemen ten opzichte van de eerder vergunde situatie, is daarom op zichzelf niet van belang voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend.

Voor zover [appellant] en anderen de onaanvaardbare milieugevolgen waartoe de uitbreiding volgens hen zal leiden niet concreet hebben vermeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Voor zover zij specifieke milieugevolgen van de uitbreiding hebben genoemd, zal de Afdeling de bezwaren dienaangaande behandelen bij de beoordeling van de beroepsgronden over de desbetreffende milieugevolgen.

Deze beroepsgrond faalt.

Planologie

2.8. [appellant] en anderen voeren aan dat de vergunning niet had mogen worden verleend, omdat de aangevraagde activiteiten op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan "Industrie-West 2003" en hun niet is gebleken van enige intentie om voor de plandelen van dat bestemmingsplan waaraan goedkeuring is onthouden, een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden.

Zij betogen voorts dat de verlening van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer in strijd is met eigen besluiten van het college, in het bijzonder het besluit van het college om goedkeuring te onthouden aan het bestemmingsplan "Industrie-West 2003", voor zover het het plangebied betreft waar op grond van dat bestemmingsplan het sorteren van afval zou worden toegestaan, en de verklaring van geen bezwaar van 30 juni 2009 met betrekking tot de verlening van een vrijstelling van het bestemmingsplan ten behoeve van een bedrijfshal op het perceel [locatie 1], voor zover in die verklaring is vermeld dat het college er van uitgaat dat de begripsomschrijving voor de activiteiten in het bestemmingsplan nader zal worden omschreven. Daarnaast stellen zij dat in de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling van het bestemmingsplan is vermeld dat de activiteiten dicht bij woningen mogelijk zijn, omdat deze inpandig plaatsvinden met gesloten deuren en ramen. In het bestreden besluit is volgens [appellant] en anderen echter niet voorgeschreven dat de deuren en ramen gesloten dienen te worden gehouden.

2.8.1. Het college stelt dat niet alle aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Industrie-West 2003". Volgens het college is de gemeente echter voornemens de desbetreffende activiteiten alsnog te legaliseren. Het college heeft daarom geen reden gezien om gebruik te maken van de bevoegdheid om de vergunning in zoverre te weigeren.

Ten aanzien van de verlening van een vrijstelling van het bestemmingsplan merkt het college op dat in die procedure de milieugevolgen van de activiteiten niet ter beoordeling staan. Voor zover in het kader van de ruimtelijke onderbouwing overwegingen over de milieugevolgen van de activiteiten zijn opgenomen, komt daaraan in dit verband daarom geen betekenis toe. De milieugevolgen zijn bij de beoordeling van de aanvraag om de thans verleende vergunning beoordeeld en door het college aanvaardbaar geacht.

2.8.2. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan de vergunning in afwijking van het eerste lid tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.8.3. De Afdeling overweegt allereerst dat het besluit tot verlening van een vrijstelling van het bestemmingsplan en de verklaring van geen bezwaar met betrekking tot de verlening van die vrijstelling in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staan.

2.8.4. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2009 in zaak nr. 200708171/1/R1 blijkt dat het college goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" op de plankaart en aan de zinsnede "een afvalsorteerbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'afvalsorteerbedrijf toegestaan'" in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, behorende bij het door de raad van de gemeente Haaksbergen bij besluit van 21 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Industrie-West 2003". Uit de uitspraak blijkt voorts dat het college het op zichzelf aanvaardbaar acht dat het ter plaatse bestaande afvalsorteerbedrijf als zodanig wordt bestemd, maar dat het zich op het standpunt stelt dat de bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet nader zijn begrensd in de planvoorschriften. Bij de genoemde uitspraak is het besluit van het college op dit punt in stand gebleven.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat nog geen nieuw bestemmingsplan is vastgesteld waarbij de door het college gewenste beperking in de planvoorschriften is opgenomen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de Afdeling echter wel af dat, nadat op 30 juni 2009 door het college een verklaring van geen bezwaar was verleend, ten behoeve van de bouw van een nieuwe bedrijfshal op het perceel [locatie 1], inmiddels vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend alsmede een bouwvergunning. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen in zijn brief van 4 mei 2010 naar voren gebracht, en ter zitting bevestigd, dat op korte termijn de reparatie van het bestemmingsplan "Industrie-West 2003" ter hand zal worden genomen. In dat kader zal volgens het college van burgemeester en wethouders de begripsomschrijving met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van [vergunninghoudster] nader worden omschreven en zal daarbij aansluiting worden gezocht bij de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering".

Uit het voorgaande leidt de Afdeling af dat het de bedoeling van de gemeente is om de activiteiten in planologisch opzicht te legaliseren. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid de vergunning met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

Deze beroepsgrond faalt.

Opslag gevaarlijke afvalstoffen

2.9. [appellant] en anderen voeren aan dat de opslag van gevaarlijke afvalstoffen op de locatie [locatie 1] niet had mogen worden vergund, omdat deze opslag te dicht bij woningen plaatsvindt.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat op het perceel [locatie 1] slechts kleinschalige opslag plaatsvindt van onverhoopt vrijgekomen gevaarlijke afvalstoffen. Het brengpunt van KCA/KGA is gelegen op de [locatie 3] en bevindt zich op meer dan 600 meter van woningen. Voorts wijst het college erop dat voorschriften met betrekking tot de opslag van gevaarlijke afvalstoffen aan de vergunning zijn verbonden.

2.9.2. Uit de vergunning en de daaraan ten grondslag liggende aanvraag, in het bijzonder de acceptatieprocedure die bij de aanvraag is gevoegd, blijkt dat de opslag van gevaarlijke stoffen op het perceel [locatie 1] niet is aangevraagd en vergund. Deze opslag mag blijkens het bestreden besluit uitsluitend plaatsvinden op de [locatie 3].

In voorschrift 3.1.3 is bepaald dat, indien blijkt dat een partij onverhoopt afvalstoffen bevat waarvan de acceptatie aan vergunninghouder niet is vergund, maatregelen dienen te worden genomen om herhaling te voorkomen. De betreffende afvalstoffen dienen op een milieuhygiënisch verantwoorde manier te worden afgevoerd.

De Afdeling stelt voorop dat voorschrift 3.1.3 niet meebrengt dat de acceptatie en opslag van gevaarlijke afvalstoffen op de [locatie 1] is toegestaan. Het voorschrift bevat slechts een voorziening voor het geval dat in het afval dat op deze locatie aanwezig mag zijn, toch gevaarlijke afvalstoffen worden aangetroffen waarvan de acceptatie en opslag op die locatie niet is vergund. Voorschrift 3.1.3 strekt er onder meer toe deze afvalstoffen op een verantwoorde wijze af te voeren. Voorts volgt uit de acceptatieprocedure, die deel uitmaakt van de vergunning, dat dit afval in afwachting van het afvoeren afzonderlijk dient te worden opgeslagen. Mede gezien hetgeen hierover in het deskundigenbericht is vermeld, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat een eventuele kortdurende opslag van kleine hoeveelheden incidenteel aangetroffen gevaarlijke afvalstoffen op het perceel [locatie 1] tot zodanige nadelige gevolgen voor het milieu zal leiden, dat het college de vergunning in zoverre had moeten weigeren of daaraan in het belang van de bescherming van het milieu nadere voorschriften had moeten verbinden.

Deze beroepsgrond faalt.

Geluid

2.10. [appellant] en anderen vrezen geluidhinder vanwege de inrichting. Zij voeren aan dat het bestreden besluit in dit opzicht onvoldoende bescherming biedt aan de woningen buiten het gezoneerde industrieterrein waarop de inrichting is gelegen. Voor deze woningen bieden volgens hen de streefwaarden waaraan het college de geluidbelasting op een aantal bedrijfswoningen heeft getoetst geen toereikende bescherming tegen geluidhinder vanwege de inrichting.

Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Dit volgt volgens hen uit een brief van Alcedo aan de gemeente Haaksbergen van 12 juni 2009, waaruit volgens hen blijkt dat bij de toetsing aan de zonegrenswaarde de activiteiten op het perceel [locatie 1] niet zijn betrokken.

2.10.1. De inrichting bevindt zich op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Bij het nemen van het bestreden besluit is het college uitgegaan van de geluidzone zoals die is vastgelegd in het bestemmingsplan "Industrie-West 2003". Weliswaar heeft de Afdeling dit bestemmingsplan bij uitspraak van 20 mei 2009 in zaak nr. 200708171/1/R1 in zoverre vernietigd, maar de Afdeling heeft daarbij de voorlopige voorziening getroffen dat de geluidzone, zoals aangeduid op blad 2 van de plankaart, geldt tot de inwerkingtreding van de nieuw vast te stellen zone, die de raad van de gemeente Haaksbergen volgens de uitspraak vóór 1 december 2009 diende vast te stellen.

2.10.2. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit heeft akoestisch Bureau Alcedo op verzoek van het college en in opdracht van de gemeente Haaksbergen de geluidimmissie van de inrichting getoetst aan de zonegrenswaarde en de hogere waarden voor de geluidbelasting van 55 dB(A) die zijn vastgesteld voor een aantal woningen in de omgeving van het industrieterrein. Daarnaast heeft de akoestisch adviseur van [vergunninghoudster] berekeningen uitgevoerd. Op grond van deze rapporten heeft de zonebeheerder het college laten weten dat de aangevraagde activiteiten inpasbaar zijn in de zone.

De geluidbelasting vanwege de inrichting ter plaatse van burgerwoningen buiten het gezoneerde industrieterrein is volgens het college impliciet beschouwd bij de toetsing van de geluidbelasting vanwege het gehele industrieterrein aan de zonegrenswaarde en aan de vastgestelde hogere waarden voor de geluidbelasting van 55 dB(A) voor enkele woningen in de omgeving van het industrieterrein. Uit de zonetoets is volgens het college gebleken dat als gevolg van de vergunde activiteiten de vastgestelde hogere waarden voor de geluidbelasting en de zonegrenswaarde niet worden overschreden. Op grond hiervan stelt het college zich op het standpunt dat de woningen in de omgeving voldoende tegen geluidhinder worden beschermd.

2.10.3. In voorschrift 7.1.4 zijn onder meer grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van een aantal woningen buiten het gezoneerde industrieterrein. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college deze grenswaarden heeft afgeleid van de zonegrenswaarde en de hogere waarden voor de geluidbelasting van 55 dB(A) die zijn vastgesteld voor een aantal woningen in de omgeving van het industrieterrein. De grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij de woningen buiten het gezoneerde industrieterrein komen overeen met de geluidbelasting die volgens het akoestisch rapport ter plaatse van deze woningen optreedt in de situatie dat aan de zonegrenswaarde en de vastgestelde hogere waarden voor de geluidbelasting wordt voldaan.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen buiten het gezoneerde industrieterrein in voorschrift 7.1.4 toereikend zijn in het belang van de bescherming van het milieu.

Deze beroepsgrond faalt.

2.10.4. Ten aanzien van de naleefbaarheid van de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overweegt de Afdeling het volgende. Anders dan [appellant] en anderen hebben betoogd, is niet gebleken dat bij de toetsing aan de zonegrenswaarde de activiteiten op de locatie [locatie 1] buiten beschouwing zijn gelaten. In de brief van Alcedo van 12 juni 2009 wordt verwezen naar het akoestisch rapport van 10 juni 2009, opgesteld door Cauberg Huygen Raadgevende Ingenieurs. Dit onderzoek is als bijlage bij de aanvraag gevoegd. In het akoestisch rapport van 10 juni 2009 zijn niet alleen de activiteiten beschouwd die in de brief van 12 juni 2009 uitdrukkelijk zijn genoemd en die alle het perceel [locatie 3] betreffen, maar ook de overige activiteiten in de inrichting. Dit blijkt onder meer uit de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in paragraaf 2.3.2 van het akoestisch rapport, waarin ook de activiteiten op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] zijn opgenomen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de - uit de zonegrenswaarde afgeleide - grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van woningen buiten het gezoneerde industrieterrein niet kunnen worden nageleefd.

Deze beroepsgrond faalt.

2.10.5. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat voorschrift 7.1.7 zich niet verdraagt met het vereiste van toepassing van ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken, overweegt de Afdeling het volgende.

In voorschrift 7.1.7 is onder meer bepaald dat de deur in de zuidwestgevel van de sorteerhal gedurende de werkzaamheden in de sorteerhal continu geopend mag zijn. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het geopend zijn van deze deur geen relevante bijdrage levert aan de geluidimmissie vanwege de gehele inrichting. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat voorschrift 7.1.7 in zoverre in strijd is met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Deze beroepsgrond faalt.

Verkeer

2.11. [appellant] en anderen vrezen voor hinder door verkeer van en naar de inrichting. In dit verband betogen zij tevens dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het verkeers- en vervoersplan van de gemeente Haaksbergen. Ook vrezen zij voor situaties die in strijd zijn met de voor de omgeving geldende verkeersregels, met name omdat volgens hen in de vergunning rijroutes zijn voorgeschreven die in verband met de ter plaatse geldende regels niet zijn toegestaan.

Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat het college voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden met betrekking tot een efficiëntere inzet van vrachtwagens en een onderzoek naar het vervoermanagement had moeten verlangen.

2.11.1. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat in de vergunning bepaalde rijroutes zijn voorgeschreven voor het verkeer - in het bijzonder het vrachtverkeer - van en naar de inrichting, mist het beroep feitelijke grondslag. In het luchtkwaliteitsonderzoek dat bij de aanvraag is gevoegd, is weliswaar van bepaalde rijroutes uitgegaan, maar hieruit vloeit niet de verplichting voort om deze routes daadwerkelijk te volgen. Dit deel van de aanvraag maakt blijkens het bestreden besluit immers geen deel uit van de vergunning. Ook is niet aannemelijk geworden dat slechts bij het volgen van de in het onderzoek beschreven rijroutes aan de luchtkwaliteitseisen kan worden voldaan.

2.11.2. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat de verlening van de vergunning strijdig is met het gemeentelijke verkeers- en vervoersplan en dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden falen.

2.11.3. Voor zover deze beroepsgrond betrekking heeft op geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 1997, nr. E03.96.0906, AB 1998, 29) wordt de geluidimmissie vanwege verkeersbewegingen op een openbare weg (op of buiten het industrieterrein) van en naar een inrichting op een gezoneerd industrieterrein, niet getoetst aan:

a. de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden;

b. de in de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 neergelegde normstelling inzake geluidhinder die wordt veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting.

Wanneer dit wel zou gebeuren, zou het speciale regime van de Wet geluidhinder worden doorkruist. Gelet hierop heeft het college terecht van een zodanige toetsing afgezien.

2.11.4. Bij het nemen van het bestreden besluit is het college er voorts van uitgegaan dat de drempelwaarden uit de Handreiking Wegen naar preventie bij bedrijven (InfoMil, 2005) niet zullen worden overschreden. Het college heeft daarom geen aanleiding gezien een onderzoek naar vervoermanagement te verlangen of anderszins nadere voorschriften over dit onderwerp aan de vergunning te verbinden.

2.11.5. De Handreiking Wegen naar preventie bij bedrijven heeft onder meer betrekking op vervoermanagement in het kader van preventie. Dit document is in tabel 2 van de bijlage behorende bij de Regeling aanwijzing bbt-documenten aangewezen als document waarmee het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening dient te houden.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de veronderstellingen van het college met betrekking tot de aantallen vervoersbewegingen onjuist zijn. Derhalve kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat de drempelwaarden uit de Handreiking Wegen naar preventie bij bedrijven niet worden overschreden. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het stellen van de door [appellant] en anderen bedoelde voorschriften over de vervoersbewegingen van en naar de inrichting niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu.

Deze beroepsgronden falen.

Brandveiligheid

2.12. [appellant] en anderen betogen dat in de vergunning onvoldoende maatregelen met betrekking tot de brandveiligheid zijn opgenomen en dat onduidelijk is of wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften, mede gelet op de opslag van gevaarlijk afval en de opslag van energiekorrels met een hoge verbrandingswaarde.

Voor zover de activiteiten op het perceel [locatie 2] tot de inrichting moeten worden gerekend, voeren zij daarnaast aan dat het advies van de brandweer dat in het kader van de vergunningverlening is uitgebracht, ten onrechte geen betrekking heeft op deze activiteiten.

2.12.1. Het college stelt dat de [locatie 2] bestaat uit een kantoorgebouw met een omliggend open terrein. Op dit terrein vindt geen opslag plaats van brandbare milieugevaarlijke stoffen. Volgens het college brengt dit mee dat het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Besluit) op dit deel van de inrichting van toepassing is, zodat het college niet het bevoegde gezag is voor dit perceel voorschriften inzake brandveiligheid te stellen. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de secundaire afvalstoffen die in de inrichting ontstaan, brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen zijn. Daarvoor zijn volgens het college in artikel 2.1.9 van het Besluit eveneens reeds regels gesteld.

Voor het overige stelt het college zich, onder verwijzing naar onder meer het advies van de brandweer van 11 juni 2009, op het standpunt dat de aan de brandveiligheid in de inrichting voldoende is gewaarborgd.

Gelet op het voorgaande heeft het college het niet noodzakelijk geacht nadere voorschriften inzake brandveiligheid aan de vergunning te verbinden.

2.12.2. De Afdeling overweegt allereerst dat de opslag van brandbare of gevaarlijke stoffen op het perceel [locatie 2] is aangevraagd noch vergund. Volgens de aanvraag bevindt zich op dit perceel een kantoorgebouw en wordt het perceel tevens gebruikt voor stalling van machines en materieel. Andere activiteiten mogen op dit perceel dan ook niet plaatsvinden.

Het advies van de brandweer van 11 juni 2009 vermeldt de percelen [locatie 1] en [locatie 3]. Voor zover moet worden aangenomen dat het perceel [locatie 2] in dit advies niet tezamen met het perceel [locatie 1] als één locatie is beschouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de [locatie 2] niet buiten beschouwing had mogen worden gelaten. Uit het voorgaande volgt immers dat op die locatie geen activiteiten zijn vergund die in verband met de brandveiligheid relevant zijn.

In het advies van de brandweer wordt onder meer overwogen dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de beschikbaarheid van blusvoorzieningen toereikend zijn. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen hieromtrent gesteld dat er op het terrein voldoende manoeuvreerruimte voor blusvoertuigen is en dat voldoende personen binnen de inrichting aanwezig zijn om zo nodig voertuigen op het terrein te verplaatsen ten behoeve van de bereikbaarheid voor de brandweer; tevens is naar voren gebracht dat de sorteerhal is voorzien van een sprinklerinstallatie. Voorts wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat de brandveiligheid in de inrichting door het bestreden besluit voldoende is gewaarborgd. Daarbij is onder meer aandacht besteed aan de eisen inzake brandoverslag.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit en de daaraan verbonden voorschriften voldoende waarborgen bieden met betrekking tot de brandveiligheid.

Deze beroepsgrond faalt.

Geur en stof

2.13. [appellant] en anderen vrezen voorts onaanvaardbare hinder door geur en stof.

Voor zover zij in dit verband hebben aangevoerd dat ten onrechte geen voorschriften over geur en stof zijn gesteld ten aanzien van de activiteiten op de percelen [locatie 1] en [locatie 2], overweegt de Afdeling dat uit het bestreden besluit blijkt dat de vergunningvoorschriften over deze onderwerpen betrekking hebben op de gehele inrichting en niet slechts op de activiteiten op het perceel [locatie 3]. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

Voor zover [appellant] en anderen vrezen dat deze voorschriften niet zullen worden nageleefd, dat op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] geur- of stofveroorzakende activiteiten zullen worden uitgevoerd die op die locaties niet zijn vergund, of dat het college tegen dergelijke overtredingen niet adequaat zal optreden, heeft deze beroepsgrond geen betrekking op de rechtmatigheid van het thans ter beoordeling staande besluit.

Voor het overige hebben [appellant] en anderen zich op dit punt in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant] en anderen hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.

Deze beroepsgronden falen.

Conclusie

2.14. Het beroep is niet-ontvankelijk, voor zover het de beroepsgrond inzake luchtkwaliteit betreft. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de beroepsgrond inzake luchtkwaliteit betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

483.