Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4421

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
201003583/4/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft de minister op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, het Tracébesluit A-50 Ewijk-Valburg vastgesteld. Het besluit is op 15 maart 2010 bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201003583/4/M2.

Datum uitspraak: 13 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4] handelend onder de naam Bewonerscomite A-50 (hierna: het bewonerscomité), allen wonend te [woonplaats], gemeente Beuningen,

verzoekers,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de minister Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna tezamen en in enkelvoud: de minister),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft de minister op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, het Tracébesluit A-50 Ewijk-Valburg vastgesteld. Het besluit is op 15 maart 2010 bekendgemaakt.

Tegen dit besluit heeft onder meer het bewonerscomité bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2010, heeft het bewonerscomité de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 juli 2010, waar [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 4] in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders, advocaat te Den Haag, en ing. M.J.M. Rutten, ir. M.C.E. de Gorter-Manhoudt en ing. N.B. Elsinghorst, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Tracébesluit wordt op de westelijke rijbaan tussen km 150,9 en km 152,0 een extra Waalbrug aangelegd die geschikt is voor 4 rijstroken met vluchtstrook en een rijbaan voor landbouwverkeer.

Ingevolge het derde lid, onder d, zal tussen de Van Heemstraweg en de extra Waalbrug als gevolg van de westelijke ligging van de extra Waalbrug een overgang plaatsvinden van een symmetrische naar een A-symmetrische verbreding. Tussen de extra Waalbrug en de Dijkstraat zal als gevolg van deze westelijke ligging een overgang plaatsvinden van een A-symmetrische naar een symmetrische verbreding.

2.3. De spoedeisendheid van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is volgens het bewonerscomité daarin gelegen dat de minister voornemens is een aanvang te maken met het vellen van de beplanting over de gehele lengte van het westelijk talud tussen De Dijk en de Ingenieur van Stuivenbergweg (deelgebied D), de Ingenieur van Stuivenbergweg en de Van Heemstraweg (deelgebied E) en het aan De Dijk ten westen van deelgebied D gelegen deelgebied F te Ewijk, gemeente Beuningen.

Het bewonerscomité betoogt dat het vellen van de beplanting niet valt onder het regime van de Boswet en derhalve kapvergunningplichtig is. Daartoe voert zij het volgende aan dat zij betwijfelt of de desbetreffende percelen buiten de bebouwde kom van Beuningen zijn gelegen. Tevens is de beplanting in deelgebied F geen eigendom van de minister maar van Staatsbosbeheer. Verder is het gebied waar de beplanting zal worden geveld groter dan voor de bouw van de brug over de Waal nodig is. Daarnaast is het voor het bewonerscomité onduidelijk hoe de hinder voor direct omwonenden vanwege de uitvoering van de bouw van de brug zal worden tegengegaan dan wel zoveel mogelijk zal worden beperkt. In dat kader betoogt zij dat in zoverre nadere besluitvorming nodig is.

2.4. De minister brengt naar voren dat de overeenkomst met de opdrachtnemer ten aanzien van de uitvoering van het Tracébesluit, behoudens de bouw van een extra brug over de Waal en de toeleidende wegdelen, ingaat zodra dat besluit onherroepelijk is geworden. Ten aanzien van de bouw van een extra brug over de Waal en de toeleidende wegdelen is met de opdrachtnemer een faseovereenkomst gesloten, waaruit volgt dat hij reeds op grond van het vastgestelde en niet onherroepelijke Tracébesluit kan aanvangen met de werkzaamheden. Het betreft daarbij in de eerste plaats het vellen van de beplanting op de westelijke talud van de A50 aan weerszijden van de Waal. Vervolgens kan op de twee oevers naast de bestaande brug een bouwplaats worden ingericht, waar vervolgens de brug in delen wordt gebouwd die over de Waal naar elkaar toe worden geschoven. De planning is erop gericht dat de nieuwe brug in 2013 gereed is. In dat kader wijst de minister op de omstandigheid dat het van belang is dat de brug in 2013 gereed is, nu de huidige brug dringend moet worden gerenoveerd en de nieuwe brug nodig is om deze werkzaamheden te kunnen uitvoeren.

De beplanting wordt volgens de minister geveld ten behoeve van de bouw van een brug en toeleidende wegdelen. Deelgebied D zal deels worden ingericht als werkterrein. Een ander deel daarvan wordt als toegangsweg tot het werkterrein ingericht. In deelgebied E wordt zand afkomstig uit het project gestort. Dit zand zal dienen als ondergrond van de toeleidende wegdelen. In deelgebied F zal een beperkt deel van de beplanting worden geveld ten behoeve van een te creëren amfibieënpoel, aldus de minister.

De minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op het bepaalde in artikel 15, derde lid, van de Boswet, het vellen van de beplanting binnen de deelgebieden niet kapvergunningplichtig is. Daartoe brengt hij naar voren dat de deelgebieden, waarbinnen de beplanting zal worden geveld, zijn gelegen buiten de bebouwde kom van Beuningen. De minister erkent dat de beplanting in deelgebied F niet zijn eigendom is, maar dat van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer heeft volgens de minister echter ingestemd met het vellen van een beperkt deel van de beplanting in dit deelgebied.

2.5. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Boswet is hij, die het voornemen heeft om tot vellen of doen vellen van houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, over te gaan, verplicht van dat voornemen ten minste één maand doch niet langer dan één jaar tevoren door toezending van een formulier, dat als aangetekend stuk wordt verzonden, kennis te geven aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit alsmede, zo hij niet de eigenaar is van de te ontbloten grond, ook aan deze laatste. De minister stelt het model voor dit formulier vast. De minister zendt onverwijld een bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving.

Het derde lid bepaalt dat het verboden is te vellen of te doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, zijn de provinciale staten en de gemeenteraad niet bevoegd regelen te stellen ter bewaring van:

a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

d. kweekgoed.

Ingevolge het derde lid zijn, voor zover hier van belang, voorts de in het vorige lid bedoelde colleges niet bevoegd regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden, welke deel uitmaken van bosbouwondernemingen, die als zodanig bij het Bosschap geregistreerd staan, en niet gelegen zijn binnen een bebouwde kom als bedoeld in artikel 1, vijfde lid.

2.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat Rijkswaterstaat een bosbouwonderneming is die als zodanig geregistreerd is bij het Bosschap en de deelgebieden D, E, F, waarbinnen beplanting wordt geveld, niet zijn gelegen binnen de bebouwde kom van een gemeente. Hieruit volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzitter dat de in artikel 15, derde lid, van de Boswet genoemde colleges niet bevoegd zijn regels omtrent het vellen van beplanting aldaar te stellen. Anders dan het bewonerscomité meent, is het vellen van de beplanting niet kapvergunningplichtig.

Op 22 juli 2010 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ingestemd met de melding van Rijkswaterstaat omtrent het vellen van beplanting in deelgebieden D, E en F, zodat aan de voorwaarde van artikel 2, eerste lid, van de Boswet is voldaan.

Het bewonerscomité heeft niet betwist dat Staatsbosbeheer heeft ingestemd met het vellen van een beperkt deel van de beplanting in deelgebied F.

Voorts bestaat, gezien de geprojecteerde inrichting van deze gebieden, evenmin aanleiding voor het oordeel dat meer beplanting wordt geveld dan redelijkerwijs nodig is.

2.7. Tenslotte is de voorzitter van oordeel dat het niet zodanig waarschijnlijk is dat de beslissing op het beroep tot vernietiging van essentiële onderdelen van het Tracébesluit zal leiden, dat daarin voldoende grond is gelegen een voorlopige voorziening te treffen.

2.8. De Voorzitter ziet na afweging van de betrokken belangen aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

 

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2010

375.