Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201002221/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering een verzoek van [wederpartij], mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen, om hen het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201002221/1/V6.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (hierna: de minister)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 20 januari 2010 in zaak nr. 09/2687 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering een verzoek van [wederpartij], mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen, om hen het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 2007 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 september 2008 heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij uitspraak van 15 juli 2009 in zaak nr. 200807417/1/V6 heeft de Afdeling het daartegen door de minister ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

Bij uitspraak van 20 januari 2010, verzonden op 26 januari 2010, heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep tegen het besluit van 14 juni 2007 opnieuw gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 maart 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. M.C. de Jong, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich in het licht van het door [wederpartij] overgelegde Medisch Advies Inburgeringexamen van 21 augustus 2007 (hierna: het MAI) niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 19 september 2006 dat aan het besluit van 14 juni 2007 ten grondslag is gelegd. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de conclusies van het MAI niet inzichtelijk zijn en de opsteller van het MAI is uitgegaan van beperktere informatie dan de arts van het BMA, nu hij geen dossieronderzoek heeft verricht, niet heeft overlegd met de behandelaars van [wederpartij] en niet op de hoogte was van de bevindingen van de arts van het BMA. Het MAI is uitsluitend gebaseerd op een verklaring van de psycholoog van [wederpartij] van 4 november 2005 en de informatie die [wederpartij] zelf heeft verstrekt en biedt derhalve geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het advies van het BMA, aldus de minister.

2.1.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, voor zover thans van belang, beschikt een verzoeker over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN, indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de Nederlandse samenleving kan functioneren.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt vastgesteld aan de hand van een door de minister op te stellen naturalisatietoets, of hij beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 4, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, is de verzoeker die kan aantonen door een belemmering niet in staat te zijn een of meer van de toetsonderdelen, genoemd in artikel 2, derde lid, en het toetsonderdeel staatsinrichting en maatschappij af te leggen, ontheven van de verplichting om het desbetreffende toetsonderdeel af te leggen.

2.1.2. De minister heeft aan zijn standpunt dat [wederpartij] niet heeft aangetoond door een geestelijke belemmering niet in staat te zijn de naturalisatietoets af te leggen het advies van het BMA van 19 september 2006 ten grondslag gelegd. Volgens dit advies is bij [wederpartij] geen sprake is van een medische aandoening waardoor er blijvend geen leervermogen is. Wel wordt het leren bemoeilijkt door concentratiestoornissen en inprentingsstoornissen, waardoor het aanleren van het Nederlands meer tijd en moeite zal kosten. Uit het advies van het BMA blijkt dat dit is opgesteld op basis van de door [wederpartij] overgelegde verklaringen van psycholoog M. Cox (hierna: de psycholoog) van 4 november 2005, 12 december 2005 en 1 juni 2006, een handgeschreven brief van de huisarts en telefonische gesprekken van de arts van het BMA met de huisarts en de psycholoog.

[wederpartij] heeft in beroep het MAI overgelegd, waarin staat dat [wederpartij] op basis van structurele psycho-somatische problemen niet in staat is voldoende kennis te verwerven en dat hij op medische gronden niet in staat wordt geacht binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen.

2.1.3. Dat het MAI niet is opgesteld met het oog op de naturalisatietoets, maar met het oog op het inburgeringsexamen, dat van toepassing is op naturalisatieverzoeken ingediend na 1 april 2007, betekent niet dat hieraan geen waarde kan worden toegekend, nu [wederpartij] met de inhoud van het MAI de uitkomst van het advies van het BMA kan bestrijden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, doet het MAI in de onderhavige zaak evenwel niet af aan de uitkomst van het advies van het BMA. Uit het MAI blijkt dat bij het opstellen hiervan het advies van het BMA niet is betrokken. Aldus wordt in het MAI niet gereageerd op het advies van het BMA. Bovendien betoogt de minister terecht dat de opsteller van het MAI is uitgegaan van beperktere informatie dan de arts van het BMA. Uit het MAI blijkt dat de opsteller hiervan geen dossieronderzoek heeft verricht en niet heeft overlegd met de huisarts van [wederpartij] en de psycholoog. Het MAI is uitsluitend gebaseerd op een bezoek van [wederpartij], waarbij volgens het MAI geen officiƫle tolk aanwezig was, en voormelde, tijdens dit bezoek overgelegde, verklaring van de psycholoog van 4 november 2005.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 juni 2007 van de minister alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2010 in zaak nr. 09/2687;

III. verklaart het bij de rechtbank in zaak nr. 07/2727 ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

523.