Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4291

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
200904832/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Gouda bij besluit van 8 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kattensingel [locatie] en 62-69".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet ruimtelijke ordening 3.9a
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 9.1.5
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 9.1.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/744
Module Ruimtelijke ordening 2010/5249

Uitspraak

200904832/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Gouda bij besluit van 8 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kattensingel [locatie] en 62-69".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Molenwijk, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. B.T. Goerdat en drs. D. Wissel, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het bestemmingsplan

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen Kattensingel [locatie] en 62 tot en met 69. Voor deze percelen gold voorheen geen bestemmingsplan. In de plantoelichting is vermeld dat in het bestemmingsplan de bestaande situatie als zodanig is bestemd.

Ingetrokken beroepsgronden

2.2.1. Ter zitting hebben [appellanten]t hun beroep voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Tuin", de aanduiding "beschermd stadsgezicht", de definitiebepaling van "bestaand gebruik", het gebruiksovergangsrecht en de beperkte ondergrondse bouwmogelijkheden op gronden met de bestemming "Bedrijf" ingetrokken.

Algemene beroepsgronden

2.3. [appellanten] voeren aan dat het college aan artikel 7 van de planvoorschriften goedkeuring had moeten onthouden, voor zover het betreft de zinsnede "behoudens ten aanzien parkeergelegenheden".

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat met artikel 7 van de planvoorschriften wordt gewaarborgd dat het perceel in de toekomst goed bereikbaar blijft. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat een dergelijke bepaling in alle bestemmingsplannen van de gemeente Gouda wordt opgenomen.

2.3.2. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften blijven de voorschriften van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:

a. bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;

b. bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;

c. parkeergelegenheden.

2.3.3. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet blijven, voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing. Ingevolge het tweede lid blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

2.3.4. De Afdeling overweegt dat uit artikel 9 van de Woningwet volgt dat de raad bevoegd is in het bestemmingsplan te bepalen of en in hoeverre de voorschriften van de Bouwverordening van toepassing zijn op de gronden in het plangebied indien het bestemmingsplan daarover niets regelt. In het standpunt van [appellanten] dat gebouwen in het plangebied op dit moment voldoende bereikbaar zijn voor wegverkeer en gehandicapten en dat de huidige ontsluitingen binnen het beschermd stadsgezicht vallen zodat deze niet zullen worden gewijzigd wordt, wat hier ook van zij, geen grond gevonden voor het oordeel dat de toepasselijkheid van deze voorschriften uit de Bouwverordening in het bestemmingsplan had moeten worden uitgesloten. In dit kader is van belang dat in het bestemmingsplan, behoudens in artikel 7 van de voorschriften, geen voorschriften zijn opgenomen omtrent de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer en gehandicapten en omtrent het aantal te realiseren parkeerplaatsen.

2.4. Met betrekking tot het standpunt van [appellanten] dat de mogelijkheden voor het opslaan van goederen en parkeren op het binnenterrein van de percelen Kattensingel [locatie] en 62-69 te beperkt zijn, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften is het parkeerterrein onder meer bestemd voor bedrijfsgebonden parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is het in ieder geval verboden onbebouwde gronden te gebruiken voor het opslaan van gerede of ongerede goederen zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, voer- en vaartuigen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan, met uitzondering van opslag ten behoeve van de normale bedrijfsvoering.

Gelet hierop is het gebruik van het parkeerterrein door bezoekers van het bedrijfspand en ten behoeve van het laden en lossen van goederen toegestaan. Voorts is het gelet hierop toegestaan goederen op te slaan ten behoeve van de normale bedrijfsvoering. De Afdeling overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het behoort tot de vrijheid van de raad om voorschriften te geven die hij uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gebruiksmogelijkheden ten behoeve van parkeren en opslag op deze gronden niet te beperkt zijn.

Voor zover [appellanten] ter zitting hebben aangevoerd dat op het binnenterrein eveneens wordt geparkeerd door omwonenden en goederen worden opgeslagen door derden en dat hieromtrent met omwonenden en derden afspraken zijn gemaakt, overweegt de Afdeling dat dit niet eerder in de procedure is aangevoerd en dat niet is gebleken dat [appellanten] dit niet eerder hebben kunnen aanvoeren. Gelet hierop laat de Afdeling dit aspect wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing.

2.5. Met betrekking tot het standpunt van [appellanten] dat het bestemmingsplan - voor zover daarin de gebruiksmogelijkheden volgens hen zeer beperkt zijn - is aan te merken als een aantasting van het recht op ongestoord genot van hun eigendom als bedoeld in het eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, is het volgende van belang. Deze bepaling laat de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. De Afdeling is van oordeel dat het in geding zijnde bestemmingsplan in zoverre als een zodanige regulering kan worden aangemerkt en dat het noodzakelijk is om het gebruik van eigendom te reguleren, waarbij een eerlijke afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Derhalve is geen sprake van een schending van het recht op ongestoord genot van het eigendom van [appellanten] als bedoeld in het eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.

2.6. [appellanten] voeren voorts aan dat een maximale goothoogte van 20 meter dient te worden toegestaan nu dit gezien de aangrenzende bebouwing planologisch verantwoord is. In dit kader wijzen zij er op dat het plangebied in een gebied valt waarbinnen volgens het gemeentelijke beleid, zoals verwoord in de nota "Nota Hoogbouw", hoogbouw tot 20 meter is toegestaan.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat het college in navolging van de raad in redelijkheid aan het belang bij het behoud van de bestaande differentiatie in bouwhoogtes van 6, 10 en 12 meter in het plangebied en de omgeving daarvan een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van [appellanten] bij het toestaan van een goothoogte van 20 meter. Hierbij betrekt de Afdeling dat het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de gemeentelijke nota "Nota Hoogbouw" van november 2004, nu in de nota een maximale bouwhoogte van 20 meter is opgenomen en derhalve de toegestane bouwhoogtes van 7, 8 en 10 meter passen binnen deze nota.

2.7. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het in het plan bij recht en niet slechts na vrijstelling mogelijk had moeten worden gemaakt bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen eenmalig met ten hoogste 10 procent te vergroten. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het behoort tot de vrijheid van de raad om voorschriften te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Gelet hierop bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan het plan voor zover daarin voornoemde beperkte bouwmogelijkheden zijn opgenomen. In dit verband wijst de Afdeling er op dat in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening - waarin overgangsbepalingen zijn opgenomen die in bestemmingsplannen die tot stand komen krachtens de Wet ruimtelijke ordening moeten worden overgenomen - eveneens is bepaald dat het pas na vrijstelling mogelijk is bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen met 10 procent te vergroten.

De Afdeling overweegt verder dat in het in zoverre niet nader onderbouwde standpunt van [appellanten] geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat de gevallen waarin vrijstelling kan worden verleend van de verscheidene bouwbepalingen in de planvoorschriften, te beperkt zijn.

2.8. Met betrekking tot het standpunt van [appellanten] dat in artikel 1, onder 12, van de planvoorschriften een definitie is gegeven van de term "bouwgrens", maar dat deze term niet op de plankaart voorkomt, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 1, onder 12, wordt onder bouwgrens verstaan een op de kaart aangegeven lijn die de grens vormt van een bouwvlak. Gelet hierop en gelet op het feit dat op de plankaart wel bouwvlakken zijn opgenomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.9. Verder overweegt de Afdeling met betrekking tot het standpunt van [appellanten] dat de in artikel 12 van de planvoorschriften opgenomen procedureregels overbodig zijn, als volgt.

In artikel 12, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften zijn procedureregels opgenomen met betrekking tot besluiten tot het verlenen van vrijstelling respectievelijk wijziging van het bestemmingsplan. Deze procedureregels wijken af van de in artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) opgenomen procedureregels met betrekking tot het verlenen van een ontheffing en van de in artikel 3.9a van de Wro opgenomen procedureregels met betrekking tot wijziging van het bestemmingsplan.

Ter zitting is gebleken dat nog geen verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan is gedaan dan wel een ontwerpbesluit tot wijziging van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Gelet hierop en gelet op de artikelen 9.1.5. en 9.1.7. van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is de Wro - en in dit geval in het bijzonder de artikelen 3.6, vijfde lid, en 3.9a van die wet - van toepassing op dergelijke nog te nemen besluiten. Artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften blijft derhalve buiten toepassing. Voorts blijft artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften voor zover daarin wordt afgeweken van artikel 3.6, vijfde lid, van de Wro, buiten toepassing. Er bestaat echter geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan artikel 12 van de planvoorschriften, nu artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften nog wel betekenis zou hebben gehad voor een wijzigingsplan waarvan het ontwerp voor 1 juli 2009 ter inzage zou zijn gelegd en nu het eerste lid nog aanvullende betekenis kan hebben op de in artikel 3.6, vijfde lid, van de Wro opgenomen procedureregels.

Het perceel Kattensingel 62-69

2.10. [appellanten] voeren aan dat de kaashandel op de percelen Kattensingel 62-69 ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Ingevolge de Staat van Bedrijfsactiviteiten 2008, behorende bij het bestemmingsplan, wordt een kaashandel immers aangemerkt als een categorie 3-bedrijf, maar ter plaatse zijn slechts categorie 2-bedrijven toegestaan.

2.10.1. Het college heeft zich ter zitting in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat een kaashandel volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten 2008 weliswaar wordt aangemerkt als een categorie 3.1-bedrijf, maar dat deze relatief hoge categorie hieraan slechts is toegekend gelet op het aspect gevaar. Nu op een kaashandel het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing is, kan een kaashandel worden gelijkgesteld met een categorie 2-bedrijf, zodat de kaashandel ter plaatse is toegestaan.

2.10.2. De percelen Kattensingel 62-69 zijn bestemd als "Bedrijf".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de kaart als "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsactiviteiten milieucategorie 2 voor zover deel uitmakend van de bijbehorende staat van bedrijfsactiviteiten.

De kaashandel wordt in de Staat van bedrijfsactiviteiten 2008 aangemerkt als een categorie 3.1-bedrijf.

2.10.3. De Afdeling overweegt dat gelet op de plankaart in samenhang bezien met de planvoorschriften ter plaatse van de percelen Kattensingel 62-69 slechts bedrijven zijn toegestaan die in de Staat van bedrijfsactiviteiten 2008 zijn aangemerkt als categorie 2-bedrijven. De kaashandel wordt in deze staat aangemerkt als een categorie 3.1-bedrijf, zodat de kaashandel niet als zodanig is bestemd. Dat een kaashandel, zoals het college en de raad betogen, ook zou kunnen worden aangemerkt als een categorie 2-bedrijf, maakt dit niet anders. Gelet op het feit dat de raad heeft beoogd de kaashandel als zodanig te bestemmen, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Nu het college dit niet heeft onderkend, is ook het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het perceel Kattensingel [locatie]

2.11. [appellanten] stellen verder dat de gebruiksmogelijkheden op hun perceel Kattensingel [locatie] te beperkt zijn. Voorts voeren zij aan dat op het perceel milieucategorie 3-bedrijven moeten worden toegestaan en dat ten onrechte de aanduiding "opslag" aan het perceel is toegekend, nu dit perceel sinds 1969 niet meer in gebruik is als opslag. Vanaf 1969 tot en met 1988 waren op dit perceel een houtloods met kantoor en een showroom ten behoeve van een hout-, board- en tegelhandel gevestigd en vanaf 1988 tot 2007 was een kringloopwinkel in de desbetreffende loods gevestigd. Gelet op het feit dat ter plaatse laatstelijk een kringloopwinkel was gevestigd, dient detailhandel op het perceel Kattensingel [locatie] mogelijk gemaakt te worden, aldus [appellanten].

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het feit dat op het perceel Kattensingel [locatie] in het verleden een kringloopwinkel was gevestigd, niet betekent dat ter plaatse alle vormen van detailhandel moeten worden toegestaan. In dit kader heeft de raad er ter zitting op gewezen dat detailhandel ter plaatse uit het oogpunt van verkeersaantrekkende werking en verkeersveiligheid niet kan worden toegestaan. De Kattensingel is reeds zeer druk en bovendien maken veel fietsers gebruik van deze weg.

Voorts stellen het college en de raad dat ter plaatse van het perceel Kattensingel [locatie] in beginsel geen categorie 3.1.-bedrijven kunnen worden toegestaan, vanwege de korte afstand van 9 tot 12 meter van dit perceel tot de omliggende woningen. In dit verband is van belang dat een vrijstellingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van het onder voorwaarden ter plaatse vestigen van een passend categorie 3.1.-bedrijf. Het college stelt voorts in navolging van de raad dat de aanduiding "opslag" in overeenstemming is met het feitelijke en vergunde gebruik.

2.11.2. Het perceel Kattensingel [locatie] is bestemd als "Bedrijf" met onder meer de aanduiding "opslag".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de kaart als "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsactiviteiten milieucategorie 2 voor zover deel uitmakend van de bijbehorende staat van bedrijfsactiviteiten met uitzondering van:

- detailhandel;

- zelfstandige kantoren;

b. bedrijfsgebonden kantoren;

c. bedrijfsgebonden parkeervoorzieningen;

d. ter plaatse van de aanduiding "opslag" uitsluitend voor opslag ten behoeve van bedrijfsactiviteiten milieucategorie 2 alsmede voor een kantoor/showroom tot een oppervlakte van maximaal 180 m2 bvo;

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder 2.2, van de planvoorschriften is het in ieder geval verboden bouwwerken te gebruiken voor een seksinrichting en voor detailhandel, voor zover zulks niet expliciet is toegestaan ingevolge de bestemmingsbepalingen.

2.12. De Afdeling overweegt dat het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een detailhandel op het perceel Kattensingel [locatie] niet kan worden toegestaan vanwege de daarmee gepaard gaande toename van de verkeersdruk en verkeersonveiligheid in de omgeving. In dit kader is van belang dat de Kattensingel reeds zeer druk is en een detailhandel een hoge verkeersaantrekkende werking heeft. In het standpunt van [appellanten] dat uit een in hun opdracht uitgevoerd onderzoek volgt dat een supermarkt weliswaar een verkeerstoename tot gevolg heeft, maar dat de wegen in de omgeving deze toename aankunnen, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. In dit kader is van belang dat het college in navolging van de raad in redelijkheid aan het belang van het voorkomen van een toename van de verkeersdruk en een daarmee gepaard gaande mogelijke toename van de verkeersonveiligheid in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van [appellanten] bij het toestaan van een detailhandel ter plaatse van het perceel Kattensingel [locatie]. Voorts hebben [appellanten] aan de omstandigheid dat bij de berekening van de waarde van hun pand in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) dit pand is aangemerkt als winkel niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat dit pand bij de procedure omtrent vaststelling van het plan als detailhandel zou worden aangemerkt. De waardevaststelling in het kader van de Wet WOZ is immers niet relevant bij het vaststellen van een bestemming in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

2.13. De Afdeling overweegt voorts met betrekking tot de aanduiding "opslag" op het perceel Kattensingel [locatie], als volgt. Ter zitting is gebleken dat de raad bij het toekennen van bestemmingen als uitgangspunt heeft gehanteerd dat wordt aangesloten bij het feitelijke gebruik, maar dat voor het perceel Kattensingel [locatie] is aangesloten bij het laatst toegestane gebruik nu het perceel ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet werd gebruikt. Uit de stukken en ter zitting is echter gebleken dat het laatst toegestane gebruik bestond uit het gebruik door een kringloopwinkel en dat het gebruik als opslag reeds in 1969 was beëindigd, zodat in het bestemmingsplan, anders dan is beoogd, niet is aangesloten bij het laatst toegestane gebruik. Het college heeft gelet hierop niet zonder nadere motivering goedkeuring kunnen verlenen aan het plan, voor zover daarin aan het perceel Kattensingel [locatie] de aanduiding "opslag" is toegekend.

2.14. Wat betreft het standpunt van [appellanten] dat in het bestemmingsplan niet alleen bedrijfsgebonden kantoren maar ook zelfstandige kantoren moeten worden toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad al dan niet zelfstandige kantoren in het bestemmingsplan toe te staan. Voorts heeft de raad in redelijkheid, onder verwijzing naar het uitgangspunt dat wordt aangesloten bij de vergunde situatie in het bestemmingsplan en het feit dat in het plangebied nimmer zelfstandige kantoren aanwezig zijn geweest, kunnen besluiten dat zelfstandige kantoren niet worden toegestaan in het bestemmingsplan. In dit kader is van belang dat [appellanten] geen concrete plannen hebben hun perceel te gebruiken ten behoeve van een zelfstandig kantoor en dat in hun enkele wens van zo ruim mogelijke gebruiksmogelijkheden de raad in redelijkheid geen aanleiding behoefde te zien desondanks zelfstandige kantoren op het perceel toe te staan.

2.15. Met betrekking tot het standpunt van [appellanten] dat de gebruiksmogelijkheden op hun perceel te beperkt zijn, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de plankaart in samenhang bezien met artikel 3, eerste lid, onder a, van de planregels zijn ter plaatse van het perceel Kattensingel [locatie] alleen categorie 2-bedrijven toegestaan en geen categorie 1-bedrijven. Ter zitting is gebleken dat de raad heeft beoogd eveneens categorie 1-bedrijven ter plaatse toe te staan. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. Nu het college dit niet heeft onderkend, is ook het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Overige beroepsgronden

2.15.1. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen [appellanten] voor het overige hebben aangevoerd, geen bespreking meer.

Conclusie

2.15.2. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf", is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat het plan eveneens voor zover het dat plandeel betreft in strijd met dit artikel is vastgesteld. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college eveneens gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" te worden vernietigd.

2.16. De Afdeling ziet voorts gelet op het vorenstaande aanleiding zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf".

Proceskostenveroordeling

2.17. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 26 mei 2009, kenmerk PZH-2009-390687, voor zover daarin goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf";

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Vroegindeweij, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

559.