Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201000273/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2009, kenmerk 2009/140596, heeft de raad het bestemmingsplan "Van der Aart" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201000273/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2009, kenmerk 2009/140596, heeft de raad het bestemmingsplan "Van der Aart" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant sub 2] en bijgestaan door mr. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en de raad, vertegenwoordigd door Z. Karaca en H. Koridon, werkzaam bij de gemeente Haarlem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied en is grotendeels consoliderend van aard. Daarnaast is er beperkt ruimte voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

2.2. [appellant] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan voor zover het de bestemming voor zijn perceel aan de Slaperdijkweg 200 betreft. Hij betoogt dat ten onrechte een deel van zijn woning niet als zodanig bestemd is, maar de bestemming "Tuin 2 (T-2)" en "Tuin 3 (T-3)" heeft gekregen, hoewel zich op deze delen in een aanbouw noodzakelijke functies voor bewoning als bedoeld in het Bouwbesluit 2003 - zoals badkamer en keuken - bevinden en die aanbouw een groter oppervlak beslaat dan de oorspronkelijke woning. [appellant] is van mening dat zijn gehele woning de bestemming "Wonen (W)" had moeten krijgen, daar het deel dat in het plan als zodanig bestemd is niet als volwaardige woning kan worden gezien.

Voorts betoogt [appellant] dat het plan is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel en dat de raad ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het individuele belang van [appellant] (te weten de dringende noodzaak tot uitbreiding van de woning) minder zwaarwegend heeft geacht dan het algemene belang.

Daarnaast voert [appellant] aan dat, nu een gedeelte van de woning gelegen is binnen de bestemming "Tuin 2 (T-2)", niet voldaan wordt aan het bepaalde in de planregels onder artikel 10.2, aanhef, onder a en onder b. Hierdoor is ten onrechte zonder kenbare en deugdelijke motivering, aldus [appellant], een deel van zijn woning onder het overgangsrecht gebracht.

2.3. De raad stelt dat hij de standaard erfbepaling van de gemeente Haarlem heeft toegepast waarin de bestemming "Wonen" enkel wordt toegekend aan de originele hoofdbebouwing en alle later gebouwde aan- en uitbouwen de bestemming "Tuin 2 (T-2)" dan wel "Tuin 3 (T-3)" krijgen, zoals ook elders aan de Slaperdijkweg is gebeurd. Indien aan de bestaande aan- en uitbouwen eveneens de bestemming "Wonen" zou zijn toegekend, zou dit tot gevolg hebben, aldus de raad, dat binnen de bestemming "Tuin 2 (T-2)" meer gebouwd zou kunnen worden. Vanuit stedenbouwkundig en cultuurhistorisch oogpunt acht de raad dit niet gewenst, daar de woning een rijksmonument betreft. Nu daarnaast de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geadviseerd heeft op dit perceel geen verdere bebouwing toe te staan, gelet op de kleinschaligheid van het monument en mogelijke precedentwerking, heeft de raad het algemene stedenbouwkundige belang zwaarwegender geacht dan het individuele belang van [appellant].

2.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat ten onrechte de bestemming "Tuin 2 (T-2)" en "Tuin 3 (T-3)" in plaats van de bestemming "Wonen (W)" aan een deel van de gronden voor zijn woning is toegekend, wordt overwogen dat de raad hiermee heeft gehandeld in overeenstemming met zijn vaste beleid als neergelegd in de standaard erfbepaling van de gemeente Haarlem. Deze wijze van bestemmen is tevens in overeenstemming met de systematiek van het plan, nu ook elders aan de Slaperdijkweg woningen op deze wijze bestemd zijn. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de raad deze wijze van bestemmen niet voor zijn perceel heeft kunnen toepassen vanwege de aanwezigheid van enkele op grond van het Bouwbesluit 2003 noodzakelijke functies voor een woning in de aanbouw en vanwege de omvang van die aanbouw. Het Bouwbesluit 2003 regelt niet de bestemmingen die aan gronden kunnen worden toegekend. Ook heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de toegekende bestemmingen "Tuin 2 (T-2)" en "Tuin 3 (T-3)" hem beletten voor dat gedeelte van de (aanbouw aan de) woning te voldoen aan de bepalingen van het Bouwbesluit 2003.

Voorts staat weliswaar in de in artikel 1 van de planregels opgenomen begripsbepaling voor aanbouw dat deze in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar daarmee is niet gesteld dat bij een aanbouw de oppervlakte kleiner dient te zijn dan de oppervlakte van het hoofdgebouw. Nu destijds bij de verlening van de bouwvergunning voor deze aanbouw is uitgegaan van de architectonische ondergeschiktheid ervan ten opzichte van het hoofdgebouw en het plan deze feitelijke situatie als zodanig beoogt weer te geven, heeft de raad zijn beleid onverkort kunnen toepassen.

Ook de begripsomschrijving in het plan van een woning, te weten een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden, staat niet in de weg aan deze wijze van bestemmen, nu het geheel van hoofdgebouw en aanbouw tezamen als gebouw kan worden aangemerkt waarin de voor de huisvesting van één huishouden noodzakelijke functies aanwezig zijn.

2.4.1. Ook anderszins heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige feiten of omstandigheden dat de raad van zijn beleidsuitgangspunt had moeten afwijken. In dit verband is van belang dat de raad terecht stelt dat bij toekenning van de door [appellant] gewenste bestemming "Wonen (W)" voor de gronden met de bestemmingen "Tuin 2 (T-2)" en "Tuin 3 (T-3)", gelet op de planregels voor deze bestemming, meer bebouwing zou zijn toegelaten dan thans aanwezig is. Bovendien heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de raad desgevraagd geadviseerd niet meer bebouwing toe te staan op dit perceel met een kleinschalig rijksmonument (voormalig tolhuisje).

De raad heeft voorts aan dit algemene belang overwegende betekenis kunnen toekennen bij de afweging van de betrokken belangen. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze woning een rijksmonument is waarop beperkende bepalingen van toepassing zijn, [appellant] bij het betrekken van deze woning hiervan op de hoogte had kunnen zijn, en dat verdere vergroting van het pand blijkens het advies van de genoemde rijksdienst tot aantasting van dit cultureel erfgoed zou kunnen leiden.

[appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de vaststelling van dit plandeel sprake is van schending van het rechtszekerheids- dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel. Het betoog faalt in zoverre.

2.5. Wat betreft het betoog van [appellant] dat een gedeelte van zijn woning ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht nu de feitelijke situatie van de aanbouw wat betreft de hoogte en de situering afwijkt van hetgeen gesteld is in de planregels onder artikel 10.2., aanhef, onder a en onder b, overweegt de Afdeling het volgende.

2.5.1. Ingevolge artikel 10.2, aanhef en onder b, van de planregels mag de bouwhoogte van aan- en uitbouwen niet meer bedragen dan de begane grondlaag vermeerderd met 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw met een maximum bouwhoogte van 4 meter, gemeten vanaf het aansluitende terrein.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 5, van de planregels wordt bij de toepassing van deze regels de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw […] met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau, bepaald door het afgewerkte terrein dat aansluit op de naar de weg gekeerde gevel. De tekst van deze planregel is bij de planvaststelling aldus - gewijzigd - vastgesteld naar aanleiding van de zienswijze van [appellant]. [appellant] heeft de juistheid van deze planregel niet gemotiveerd betwist.

Tussen partijen is voorts niet in geschil en de raad heeft ter zitting bevestigd dat beoogd is de bestaande situatie als zodanig in het plan te bestemmen. Het standpunt van de raad dat de toegestane bouwhoogte van 4 meter niet wordt overschreden, heeft [appellant] niet gemotiveerd betwist.

Ook anderszins heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de bouwhoogte van de aanbouw niet voldoet aan artikel 10.2, aanhef en onder b, van de planregels. Derhalve ziet de Afdeling in het door [appellant] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de aanbouw wat betreft de hoogte niet als zodanig in het plan is bestemd. Dit betoog faalt.

2.5.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat een gedeelte van de aanbouw in strijd met artikel 10.2., aanhef en onder a, van de planregels vóór de achtergevelrooilijn staat en daarmee ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, heeft de raad zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat in dat artikellid ten onrechte het woord "achtergevelrooilijn" voorkomt in plaats van het woord "voorgevelrooilijn" en dat deze beroepsgrond van [appellant] dient te slagen.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat het artikellid van deze planregel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van [appellant] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 10.2., onder a, van de planregels bij de bestemming "Tuin 2 (T-2)", dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het overigens aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. Om te voorkomen dat voor de periode waarin de raad opnieuw in de zaak dient te voorzien met inachtneming van deze uitspraak een bouwvoorschrift ontbreekt voor de situering van aan- en uitbouwen binnen de bestemming "Tuin 2 (T-2)" ziet de Afdeling aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlem van 24 september 2009, kenmerk 2009/140596, voor zover het betreft artikel 10.2., onder a, van de planregels, te weten "aan- en uitbouwen mogen uitsluitend achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw worden gebouwd";

III. draagt de raad van de gemeente Haarlem op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor de planregel genoemd onder II te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. treft de voorlopige voorziening dat artikel 10.2., onder a, van de planregels als volgt luidt: "aan- en uitbouwen mogen uitsluitend achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw worden gebouwd;";

V. bepaalt dat de onder IV opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een plan waarin deze bepaling opnieuw is vastgesteld;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlem tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 892,45 (zegge: achthonderdtweeënnegentig euro en vijfenveertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Haarlem aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Nolles

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

291-667.