Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4281

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
200910237/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2008 heeft de korpsbeheerder aan [appellante] informatie verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200910237/1/H3.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009 in zaak nr. 09/1799 in het geding tussen:

[appellante]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2008 heeft de korpsbeheerder aan [appellante] informatie verstrekt.

Bij uitspraak van 4 februari 2009 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het met een besluit gelijk te stellen door de korpsbeheerder niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de korpsbeheerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit neemt op het bezwaar.

Bij besluit van 29 april 2009 heeft de korpsbeheerder het door [appellante] tegen het besluit van 21 juni 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Bij uitspraak van 23 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ingestelde beroep en het beroep tegen het besluit van 29 april 2009

niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2010.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 8 juli 2010.

2. Overwegingen

2.1. In haar verzoek van 12 juni 2008 heeft [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om toezending van de akte van aanstelling en eventuele wijzigingsbesluiten en de huidige akte van beëdiging van alle bij een bepaalde, in het verzoek gespecificeerde, overtreding betrokken verbalisanten, om de voor- en achterkant van de aankondiging van de beschikking en om overige relevante bescheiden. Bij besluit van 21 juni 2008 heeft de korpsbeheerder haar een kopie van de voor- en achterzijde van de aankondiging van de beschikking en een kopie van de akte van beëdiging buitengewoon opsporingsambtenaar verstrekt. In het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift heeft [appellante] zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte de gevraagde akte van aanstelling geweigerd is te verstrekken. Het bezwaarschrift is op 15 augustus 2008 retour ontvangen met daarbij gevoegd de ontbrekende akte van aanstelling. Bij besluit van 29 april 2009 heeft de korpsbeheerder alsnog beslist op het bezwaar. Daarbij heeft hij vastgesteld dat geen akte van aanstelling is verstrekt, maar dat dit document niet beschikbaar is en om die reden niet kan worden verstrekt. Hij heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

2.2. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat [appellante] geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, nu de korpsbeheerder alsnog heeft beslist op het bezwaar. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat een dergelijk belang niet kan zijn gelegen in het verkrijgen van een vergoeding van de proceskosten of vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. Ook het beroep tegen het besluit van 29 april 2009 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Aan het beroep van [appellante] is volledig tegemoetgekomen, nu vaststaat dat zij de onbrekende akte van aanstelling inmiddels heeft ontvangen. Een belang kan niet zijn gelegen in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van proceskosten of vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht, omdat [appellante] het ontbrekende document bij het retour zenden van zijn bezwaarschrift reeds heeft gekregen en derhalve geen beroep heeft hoeven instellen om het document te verkrijgen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van het door haar betaalde griffierecht. Het beroep richtte zich tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Dit beroep was aanvankelijk gegrond en is later, doordat de korpsbeheerder inmiddels op het bezwaarschrift had beslist, niet-ontvankelijk verklaard. Indien de korpsbeheerder geen besluit op bezwaar had genomen, had de rechtbank hem wel veroordeeld in vergoeding van het griffierecht. De gevraagde proceskostenveroordeling is op dit punt door de rechtbank toegewezen. Zij had de korpsbeheerder ook moeten veroordelen in de vergoeding van het griffierecht, aldus [appellante].

2.3.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juni 2001 in zaak nr. 200003274/1 (AB 2001, 267) wordt ingevolge het vierde lid van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede gericht te zijn tegen een inmiddels genomen besluit, tenzij dat besluit aan het beroep geheel tegemoet komt. Bij toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door [appellante] betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 29 april 2009. Het enkele feit dat niet tijdig op het bezwaar is beslist, hoefde voor de rechtbank geen aanleiding te vormen om vergoeding van het griffierecht te gelasten.

2.4. Met het oordeel dat [appellante] geen belang had bij haar beroep voor zover dit was gericht tegen het besluit op bezwaar van 29 april 2009, heeft de rechtbank niet onderkend dat zij daarbij wel degelijk belang had voor zover dit was gericht tegen het niet vergoeden van de door haar in verband met de behandeling van haar bezwaar gemaakte kosten. De rechtbank had zich daarover dienen uit te spreken, zodat voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het besluit van 29 april 2009 geen grond bestond.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep tegen het besluit van 29 april 2009 niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, beoordeelt de Afdeling thans het door [appellante] tegen dat besluit ingestelde beroep.

2.6. [appellante] heeft betoogd dat in bezwaar is gebleken dat de gevraagde akte van aanstelling, waarom zij onder meer heeft verzocht, toch kon worden verstrekt en dat de korpsbeheerder daarom haar bezwaar gegrond had moeten verklaren.

2.6.1. Dit betoog slaagt. Nu uit het verzoek van [appellante] duidelijk bleek dat dit mede betrekking had op de akte van aanstelling en het besluit van 21 juni 2008 niet strekt tot openbaarmaking van die akte, dient dit besluit te worden aangemerkt als een weigering die akte openbaar te maken. Het bij de retourzending van het bezwaarschrift alsnog verstrekken van een afschrift van de akte van aanstelling, kan niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob. De korpsbeheerder had daarom bij het besluit van 29 april 2009 het besluit van 21 juni 2008 moeten herroepen, in zoverre dat niet strekte tot openbaarmaking van de akte.

2.7. Het beroep tegen het besluit van 29 april 2009 is gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij is nagelaten het besluit van 21 juni 2008 te herroepen in zoverre dat niet strekte tot openbaarmaking van de gevraagde akte van aanstelling. Het besluit van 21 juni 2008 dient alsnog in zoverre te worden herroepen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het besluit van 29 april 2009.

2.8. De korpsbeheerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Anders dan de korpsbeheerder in zijn verweerschrift heeft verzocht, zal de Afdeling daarbij de wegingsfactor "gemiddeld" toepassen, omdat het geschil inhoudelijk van aard is.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009 in zaak nr. 09/1799, voor zover het beroep tegen het besluit van 29 april 2009 niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland van 29 april 2009, kenmerk 08.17877, voor zover daarbij is nagelaten het besluit van 21 juni 2008 te herroepen in zoverre dat niet strekte tot openbaarmaking van de gevraagde akte van aanstelling;

V. herroept het besluit van 21 juni 2008 in zoverre;

VI. veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00 (zegge: zevenhonderdnegenenvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland aan [appellante] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van der Smissen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

419.