Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4277

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
200909225/1/T1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2009, kenmerk 09087, heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/741
Module Ruimtelijke ordening 2010/1402

Uitspraak

200909225/1/T1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 36, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Hoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2009, kenmerk 09087, heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft op 22 juni 2010 de zaak ter zitting gevoegd behandeld met het beroep van [belanghebbende], waar de raad, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [belanghebbende] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 200909225/3/R1.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 36, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", gelegen tussen Westerdijk 9 en 19, in strijd is met het beschermd stadsgezicht. De op dit plandeel voorziene nieuwbouw bestaat volgens [appellant] en anderen uit een massief, rechthoekig, hoog en donker bouwblok met een niet op de binnenstad aansluitende dakbeëindiging. Daarnaast past het stratenpatroon niet in het huidige straatbeeld, aldus [appellant] en anderen.

2.2.1. De raad stelt voorop dat hij de cultuurhistorische waarde van de binnenstad van Hoorn, zonder gewenste ontwikkelingen in de weg te staan, wil beschermen. In het beeldkwaliteitplan Westerdijk en het Stedenbouwkundig Programma van Eisen is geconstateerd dat de Westerdijk verandert van de achterkant van de stad Hoorn naar de voorkant van de stad. Bij deze transformatie hoort volgens de raad een andere wijze van inrichting van de Westerdijk en een ander type en massa van bebouwing. Voor de onderhavige gevelwand is in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen een massa vastgesteld van minimaal 60% twee lagen met kap en 40% drie lagen met kap. Het bebouwingsvoorstel gaat uit van het realiseren van drie bouwlagen met een min of meer platte afdekking en past binnen dat programma, aldus de raad.

2.2.2. Het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" maakt aaneengesloten nieuwbouw mogelijk met een maximale goothoogte van 10 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter binnen een bouwvlak van ongeveer 24 bij 15 meter. Ter zitting is gebleken dat de gronden waarop dit plandeel betrekking heeft braak liggen en dat het vorige bestemmingsplan "Globaal Bestemmingsplan Binnenstad" een maximale goothoogte van 7,5 meter toestond.

2.2.3. De aanwijzing tot een beschermd stads- of dorpsgezicht strekt er niet toe de bestaande situatie te bevriezen. Het is echter wel van belang dat bij de verdere ontwikkeling of de noodzakelijk geachte veranderingen aan de waarde van het geheel geen, althans zo weinig mogelijk, schade wordt toegebracht. Uit het bestemmingsplan volgt dat met name het stratenpatroon en de schaal van de bebouwing bij de nieuwbouw langs de Westerdijk van belang zijn in het beschermd stadsgezicht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de bebouwingsmogelijkheden voor het plandeel kan worden voorzien in nieuwbouw die past bij het beschermd stadsgezicht. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat in het gebied thans sprake is van aaneengesloten bebouwingen, in het plan is voorzien in de mogelijkheid van bebouwing met een kap en de maximaal toegestane bouwhoogte op het plandeel en de omvang van de toegestane bebouwing niet in relevante mate afwijken van de omliggende bebouwing. Het betoog faalt.

2.3. Voorts stellen [appellant] en anderen dat nader onderzoek moet worden verricht naar de bezonningsituatie op hun percelen. Door de voor het plandeel vastgestelde maximale bouwhoogte wordt door [appellant] en anderen in ernstige mate gevreesd voor een verminderde toetreding van licht en lucht.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het beeldkwaliteitplan en het Stedenbouwkundig Programma van Eisen volgt dat een concrete bezonningstudie niet nodig is en dat de gevolgen voor de bezonning alleen globaal zijn bezien.

2.3.2. Ter zitting is door de raad aangegeven dat de woningen van [appellant] en anderen bestaan uit twee verdiepingen met kap. De afstand tussen de tuinen van [appellant] en anderen en het bouwvlak is minimaal 16 meter en maximaal 25 meter. De ligging van de woningen ten opzichte van het bouwvlak is noordoostelijk. Gelet op het verschil in hoogte tussen de woningen van [appellant] en anderen en de toegestane maximale bouwhoogte binnen het bouwvlak en gelet op de afstand en ligging van de woningen en tuinen van [appellant] en anderen ten opzichte van het bouwvlak acht de Afdeling aannemelijk dat [appellant] en anderen schaduwhinder zullen ondervinden van de voorziene nieuwbouw. Ter zitting heeft de raad ook erkend dat de nieuwbouw zal leiden tot vermindering van bezonning ter plaatse, maar hij heeft zich op het standpunt gesteld dat dit aanvaardbaar is in een binnenstad, omdat daar rekening moet worden gehouden met dichte bebouwing. Zonder bezonningstudie kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet worden beoordeeld of de raad in redelijkheid aan het belang van [appellant] en anderen minder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang dat is gemoeid met de ontwikkeling van het plandeel. Gelet hierop heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bezonningstudie bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet nodig is. Dit betoog slaagt.

2.4. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat ten onrechte geen luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat jaarlijks onderzoek wordt gedaan naar de luchtkwaliteit en dat daaruit blijkt dat nergens binnen de gemeente Hoorn de luchtkwaliteitsnormen worden overschreden. In het gebied Vogelpoel - Westerdijk, waarin het plandeel is gelegen, is sprake van een kleinschalige ontwikkeling die niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.

2.4.2. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Hierbij zijn tevens op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: de Regeling) in werking getreden. Bij invoering van titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn krachtens artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer in bijlage 3A bij de Regeling als categorie van gevallen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, woningbouwlocaties aangewezen die - in geval van één ontsluitingsweg - netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten, dan wel - in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling - netto niet meer dan 3000 woningen omvatten. Indien de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt vindt ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats.

2.4.3. Gezien het voorgaande behoort de bouw van acht appartementen op de locatie Westerdijk tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide als bedoeld in de Wet milieubeheer. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat geen afzonderlijke beoordeling plaats hoefde te vinden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 36, zesde lid, van de WRvS op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, voor zover het besluit ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen", gelegen tussen Westerdijk 9 en 19.

De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 2.3.2 alsnog een bezonningstudie uit te (laten) voeren. Op basis van de uitkomst van dat onderzoek dient de raad het besluit van 8 september 2009, kenmerk 09087 alsnog toereikend te motiveren, dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor het plandeel. In het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.7. De Afdeling ziet aanleiding de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen.

2.8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Tevens zullen in de einduitspraak, gelet op de samenhang met het geconstateerde gebrek, de beroepsgronden over de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de waardedaling van de woningen van [appellant] en anderen besproken worden.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Hoorn op om binnen drie maanden na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 2.3.2 ten behoeve van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" gelegen tussen Westerdijk 9 en 19 alsnog een bezonningstudie uit te (laten) voeren en op basis van de uitkomst van dat onderzoek het besluit van 8 september 2009, kenmerk 09087, alsnog toereikend te motiveren, dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor het plandeel. In het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

bepaalt dat de vaststelling van een nieuw besluit niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden;

treft de voorlopige voorziening dat het plandeel met de bestemming "Wonen (W)," gelegen tussen Westerdijk 9 en 19, wordt geschorst totdat de Afdeling een einduitspraak heeft gedaan in deze zaak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

410-668.